vrijdag 4 maart 2016

Vissers in de literaire vijver

EEN KWARTEEUW LANG ben ik aan de slag geweest als redacteur van Het Visserijblad. Al die tijd heb ik me over cijfers en tabellen gebogen, ik heb voorvallen beschreven en mensen geïnterviewd, achtergronden geschetst en ontwikkelingen geduid, maar ik heb daarnaast ook veel romans gelezen die zich in het vissersmilieu afspelen. Gaandeweg werd het me duidelijk dat de visserij zonder die literaire dimensie niet te begrijpen valt.

— Herman Melville —
WIE LITERATUUR EN VISSERIJ aan elkaar koppelt kan onmogelijk naast Moby Dick (1851) van Herman Melville kijken. Ismaël heeft als enige de scheepsramp van de walvisvaarder Paquod overleefd. Oud en wijs geworden vertelt hij ons zijn ervaring ter zeevisserij.
Het centrale personage, Achab, is het soort mens dat ook vandaag nog de lakens uitdeelt. Hij is de kapitein van de Paquod en bijgevolg de manager van het schip. Managers waken erover dat het kapitaal groeit. Die taak verleent hen het recht om langs de grenzen van het haalbare te scheren — en als niemand kijkt, er ook over te gaan, zoals de bankencrisis het ons onlangs weer geleerd heeft. Laat ons dat niet aan Achab denken die, in zijn megalomane jacht op de witte walvis, het schip naar de kabeljauwkelder jaagt? De reis van de Paquod is deze van een maatschappij op weg naar haar uiteindelijke catastrofe.
Het boek stelt daar belangrijke vragen over. Bijvoorbeeld deze: hoe komt het dat wij dat allemaal laten gebeuren? ‘Hoe het kwam dat zij in feite volledig meegingen met de toorn van de ouwe — door welke kwade toverij hun ziel bezeten was dat zijn haat haast de hunne leek en de witte walvis net zo goed hun onduldbare vijand als de zijne; hoe dit alles zo kwam — wat de witte walvis voor hen betekende of hoe hij ook in hun onderbewuste begrip vaag en onvermoed de grote, rondsluipende demon van de wereldzeeën kan hebben geleken — dit alles zou een diepere duik vereisen dan Ismaël vermag.’ De vraag is te groot voor de verteller. Alleen het sociale gewoel kan er een antwoord op geven.

— Hendrik Conscience —
TIEN JAAR NA MELVILLE stort ook de Vlaming Hendrik Conscience zich op een vissersroman. De inspiratie komt niet uit de lucht vallen, want de auteur is bevriend met een visser. De twee hebben in 1830 aan de Belgische kant tegen de Hollanders gevochten.
In 1859 trekt Conscience naar zee om er Smagghe, zijn ouwe wapenbroeder, op te zoeken. Het vissersmilieu werkt inspirerend en in 1861 verschijnt de roman Bella Stock met als ondertitel Tafereelen uit het leven der Vlaemsche visschers. Het is een romantisch verhaal over een Franse edelman die tot twee maal toe door een eenvoudig Vlaams meisje van de dood gered wordt. Visser Stock lijkt sprekend op Consciences maat Smagghe en de heldin uit het boek is geïnspireerd door diens dochter Bella.
Conscience zegt daar later zelf over: ‘Om dit werk te schrijven, heeft uw dienaar meermalen het Adinkerkse strand bezocht en de eenvoudige zeden der vissers doorgrond, hunne gewoonten nagespeurd, met hen verkeerd en gegeten, is hij met hen in zee geweest nacht en dag, en heeft hij dus geen moeite gespaard om de natuur en de mensen der Vlaamse zeekust te leren kennen (...)’
— Stijn Streuvels —
Of Stijn Streuvels moeite gespaard heeft weet ik niet, maar in 1927 verschijnt van hem De drie koningen aan de kust. In dat vissersverhaal neemt de schrijver ons mee naar de wereld van de zeilvaart.
Kunnen we ons die wereld nog voorstellen? Haal adem en lees luidop: ‘Zwarte kielen, roode zeillappen, opgehangen boven netten als tullen sluiers gloeiend bruin, en daarboven een bosch van masten, met een wirwar touwen en takelwerk, – al om ’t even zwart en net tegen ’t oranjevuur van de avondlucht gepenseeld, doorstippeld, bespat en besmeerd met tikkels en vegen, vaantjesgewapper van blauw, wit, rood, groen tegen toppen van masten, ra-zeilstokken, speierend en zingend boven de geboende, rondbuikte kielen, (…) heel de vermengelde, dooreengekloeriede, donkere klomp zwemmend op de vettige olie-soep van ’t drubbele, naar ’t groenwendend havenwater, met keerende kleurglanzen aan ’t oppervlak – glimmende oogen, metallieke slingerstrepen, uitspiralende ribbelingen, waar ’t weerspiegelen van den lichtenden hemelgloed, met de donkere schaduwen samen, het wonderste wisselspel van kleuren en schakeeringen, altijd andere arabesken over toovert.’ Pointillisme met woorden!
In dat verhaal komt de Roeschaard voor, een bekende kwelgeest in de Vlaamse visserij. De roeschaard (1943) is ook de titel van een roman van Gaston Duribreux. 
Duribreux laat ons in zijn Roeschaard alle hoeken van Oostende zien. Manjerik Pincket zwerft door de stad omdat de vissers al drie weken thuiszitten: ‘De visscherij is dood, hemelste stakestijf dood! En geen berechten meer aan. (…) De sneeuw houdt niet op, nooit!’
Vissers die de zee te lang missen krijgen een probleem: ‘Visschers worden truntiger dan vrouwen wanneer ze te lang aan wal blijven.’ Dan begint de roeschaard hen parten te spelen.
De kwelgeest die in het verhaal slechts één keer bij naam genoemd wordt, is bij Duribreux
— Gaston Duribreux —
geen zichtbaar ding, zoals hij dat in
de sage wel is, maar een soort Weltschmerz, een gevoel dat met piekeren en zwartgalligheid gepaard gaat. ‘Het lijze schuren van de sneeuw langs het raam, het nauw hoorbaar bonzen op de ruit, het vermoeden alleen van dat geluid, kwelt de halfwakende visschers. Enkelen draaien zich op een andere zij, doen hun ledikant kraken, nijdig en norsch in hun nachtmare. Anderen ontwaken ineens zonder merkbaren overgang, richten zich op en stappen met gesloten gelaat naar het venster. Hun rode onderbroek vlekt donker. (…) Ze voelen zich alleen met den nacht, met het oneindig ontastbare, met Hem.’
De opmerkelijke mededeling dat vissers rode onderbroeken dragen, mag ons niet afleiden van het gevoel dat Duribreux opwekt. Dat treft ook Manjerik, maar die kan het na enige tijd weer van zich af schudden: ‘Geen Roeschaard! Ook geen twijfel meer, geen ingebeelde benauwenissen, geen belemmeringen die doen zweeten, die een vage zinnelijkheid doen opborrelen in het verhitte lijf (…) Thans weet hij meer. Hij is als één die denkt en voelt dat strijden is buiten zichzelf treden.’ Visser Manjerik bevindt zich op de scheidingslijn van het oude (de roeschaard) en de moderniteit (‘strijden is buiten zichzelf treden’) waarin een mens zijn eigen lot bevecht.

OM ECHT EEN HEDENDAAGSE zeevisser te ontmoeten moeten we de steven naar buitenlandse auteurs wenden. Naar Frankrijk bijvoorbeeld waar Benoîte Groult Zout op mijn huid (Les vaisseaux du coeur, 1988) publiceert, een liefdesroman én een vissersverhaal.
Benoîte Groult kent ze goed, de vissers: ‘Bij hen stonden vakmanschap, eerlijkheid en moed hoog in het vaandel; gezondheid was een goede eigenschap en vermoeidheid een tekortkoming verwant aan luiheid. Werk werd afgemeten aan zijn nut, nooit aan de moeite die het kostte of aan de tijd die ervoor nodig was.’
— Benoîte Groult —
George, het vrouwelijke hoofdpersonage, haalt Groult uit haar eigen milieu, dat van de Parijse bourgeois bohémien: ‘Bij ons, Parijzenaars die flirtten met de artistieke avant-garde (mijn vader gaf een tijdschrift over moderne kunst uit), werd eerlijkheid een beetje belachelijk gevonden, behalve voor een dienstmeisje.’
Daar tegenover moet iemand komen te staan die helemaal anders is. Dat wordt Gauvin, een Bretoense visser, waarvan George zegt: ‘En met de onbuigzaamheid die toen de plaats innam van mijn persoonlijkheid kon ik hem zijn gebrek aan cultuur niet vergeven, zijn gewoonte om de haverklap te vloeken, zijn voorkeur voor bedrukte jacks en voor sandalen waarbij hij sokken droeg, zijn sarcastische glimlach bij abstracte schilderijen die hij de dag ervoor in het museum in enkele zinnen die blijk gaven van een boosaardig gezond verstand had afgekraakt; noch zijn duidelijke voorliefde voor Rina Ketty, Tino Rossi en Maurice Chevalier, precies die zangers die ik niet kon uitstaan en die ik op mijn beurt in een paar besliste zinnen met de grond gelijk had gemaakt! Ik vergaf hem niet dat hij het brood in zijn handen sneed en zijn vlees van tevoren op zijn bord, noch dat hij een beperkte woordenschat had die twijfels opriep over zijn denkvermogen.’
Als burgertrut kun je op zo’n mens wel verliefd worden, maar je kunt er niet mee thuiskomen: ‘Met een visser pronken zou leuk zijn geweest voor een avond: mijn ouders waren dol op zeemansliederen, op de met messing anker versierde leren riemen die aan boord werden gevlochten, op de grote Bretonse baretten die alleen nog door vakantiegangers werden gedragen en op de kunstmatig verkleurde kostuums van rood en marineblauw linnen die nog authentieker waren dan de kostuums van de vissers.’
‘Maar echte vissers van vlees en bloed, en dan niet bij de viskraam of aan boord van hun tonijnvissersboot of trawler waar ze er zo edel uitzagen, zo leuk ook met hun gele oliejassen en lieslaarzen (“Die kerels, petje af!”) Maar een echte zeeman op het tapijt van een Parijs’ appartement, met een bedrukt jack en met rouwranden onder zijn nagels, goeiemensen!’
George en Gauvin trouwen niet met elkaar. Na wat hierboven staat valt dat te begrijpen, maar het staat de liefde niet in de weg en de passie nog minder. Lang nadat het tussen die twee voor ’t eerst gevonkt heeft, gebeurt nog altijd dit: ‘We hadden de hele nacht nodig om ons van ons verlangen te verlossen.’

— Norman Lewis —
DE VISSER IS ANDERS, zegt Benoîte Groult. Zelf weet ik inmiddels wel waar dat anders-zijn vandaan komt — het heeft met de zee te maken en met de jacht — maar wanneer ik me in 1988 voor ’t eerst over Het Visserijblad buig kan ik alleen maar terugvallen op de wankele vergelijking met een it-girl, een meisje dat een kwaliteit bezit die niet meteen in definities of categorieën te vangen valt. De visserij is de it-girl van de economie.
Norman Lewis lichtte een tipje van de sluier op. Na de oorlog ging hij uitzieken in een geïsoleerd Spaans vissersdorp aan de Costa Brava. Hij trok er, net als de andere mannen, ter zeevisserij. Veertig jaar later schreef hij Stemmen van de oude zee (Voices of the old Sea, 1984), een reisverhaal: ‘Nu is de visserij puur commercieel. De visser schakelt de sonar in, zoekt scholen op, gooit een gigantisch net uit. Toentertijd stapten wij in een bootje, alleen of met zijn tweeën. Mensen specialiseerden zich in één vissoort, kenden de geheimen van de vis.’
De visserij waarin Lewis naartoe trok was een andere dan deze waar ik in terechtgekomen was. In dat Spaanse dorp was de sector primitief, deze die ik aan de Vlaamse kust leerde kennen was hoogtechnologisch. Hoe kwam het dan dat ik in die primitieve Spaanse vissers de matrozen herkende die in de Oostendse visserswijken wonen? ‘Het beroep van visser verandert de geest, de mentaliteit. Vissers zijn, waar ook ter wereld gokkers. Ze halen een vangst binnen, verkopen die en spenderen het geld snel aan kleren of cadeaus. Alles moet op, ze leven van dag tot dag. Ze hebben iets heidens, ze offeren aan de oude goden van de zee. Landbouwers plannen alles. In Spanje was er naast het vissersdorp een boerendorp, het verschil had niet groter kunnen zijn.’
Ja, zo had ik ze intussen leren kennen, mijn pappenheimers. En ja, die lifestyle had wel ‘iets’. Ook voor de schrijver Norman Lewis: ‘Niet dat ik erin geloof, maar als zou blijken dat ik nog een leven te goed heb en als het beroep dan nog bestaat, dan zou ik visser willen zijn.’
In het citaat bleef mijn oog ook haken aan de zinsnede 'als het beroep dan nog bestaat'. Toen ik dat boek voor ’t eerst aan ’t lezen was, werd daar op de Vlaamse visserskaaien veel over gediscussieerd. De visserij was ook hier aan een neergang begonnen die het voortbestaan ervan in ’t gedrang bracht. Op de kaaien werd menig gesprek aldus afgesloten: als het beroep dan nog bestaat.
Hoe verging het die primitieve Spaanse vissersgemeenschap? ‘Een jaar of vijf geleden keerde ik terug naar het vissersdorp voor een reportage in de Sunday Times. De verandering was zo verschrikkelijk dat ik besloot nog voor het vallen van de avond te vertrekken. Het dorp was overgenomen door de toeristen. Ik vond er nog een van mijn oude vrienden, Sebastian. Hij had, zoals ik wel verwacht had, een klein hotelletje geopend. Vroeger verdiende hij 32 peseta’s per dag, materieel had hij het intussen stukken beter. Maar het was ook tragisch. Hij was zijn gevoel voor avontuur volledig kwijt.’

WIE VANDAAG OVER de visserij schrijft kan niet rond de eindigheid ervan navigeren. Die is evengoed zichtbaar in België als in Newfoundland, waar E. Annie Proulx haar roman Scheepsberichten (The Shipping News, 1993) situeert.
— Annie Proulx —
De teloorgang van de visserij rond Newfoundland gaat deze van Oostende vooraf. Terwijl ik het aan ’t lezen ben, beleef ik een indrukwekkende déjà vu: ‘En de visserij zakte in, de visserij zakte totaal in, veertig jaar opgegaan in rook, omdat die klootzakken in de Canadese regering elk land ter wereld visrechten gaven, terwijl ze ons met hun regels uit de markt drukten. Die gore buitenlandse treilers. Daar is alle vis in verdwenen.’ Het is een manier van redeneren die ook ten onzent bekend is, maar hier zijn de klootzakken in de Europese Unie te vinden en zijn het de Hollanders die het gedaan hebben. Gelijklopend zijn ook de maatregelen: ‘Jezus! Denk je dat je alles gehad hebt, krijg je dit! Die toewijzing van visquota alsof het rijen aardappels zijn die je kunt opgraven. Als er geen vis is, valt er ook niets toe te wijzen en niets te vangen; als je niets vangt is er ook niets te verwerken of te verschepen, en dan is er voor niemand nog een droge boterham te verdienen. Geen hond die hun achterlijke regels nog begrijpt.’
Waarna de reconversie volgt. Visser Jack Buggit weet er alles van: ‘Oké, zei ik, toen ik inzag dat ik het met vissen niet meer zou redden, oké, zei ik, ik zal verstandig zijn, ik geef me gewonnen, ik doe mee aan het regeringsplan en zeg: ‘Hier ben ik. Ik zoek een baan. Wat hebt u voor me?”
En zij zeggen: “Wat kunt u zoal?”
“Wel,” zeg ik, “ik kan vissen. Heb ’s winters in het bos gewerkt.”
“Nee, nee, nee. We willen geen vissers. We scholen u wel om.” Ze brengen de industrie hierheen, snap je. Banen voor iedereen. De eerste plaats waar ze me heen stuurden, was een leerlooierij in Go Slow Harbor, verdomme. Er werkten daar tien à vijftien mannen … Dat deed ik vier dagen lang, toen waren de huiden op, en er kwamen er ook niet meer, dus stonden we wat te niksen, of we veegden de vloer. Een paar maanden later ging de looierij op zijn kont. Ik dus weer naar huis.’ Al wie alhier in de reconversiemolen geraakt is herkent zichzelf in het citaat.
Buggit wordt naar een machinefabriek gestuurd, naar een kartonnagefabriek, een olieraffinaderij, een elektriciteitscentrale, een handschoenenfabriek… Het brengt allemaal geen zoden aan de dijk.
Uiteindelijk krijgt de visser het systeem door, maar hij weet te weinig om er iets tegen te ondernemen. Wat kan hij doen? ‘En hoe kom je dingen aan de weet? Je leest ze in de krant! Er was geen plaatselijke krant (…) maar ik was tot de conclusie gekomen dat als zij een handschoenenfabriek konden beginnen zonder leer, zonder iemand die handschoenen kon maken, ik net zo goed een krant kon beginnen.’ Of hoe Annie Proulx heel de miserie van de omscholing in enkele woorden uitgelegd krijgt.

— Redmond O'Hanlon —
IK OVERLEES wat ik tot hiertoe geschreven heb en concludeer dat ik misschien te pessimistisch ben geweest. Het lijkt er wel op dat er géén vissers meer zijn.
Redmond O’Hanlon moet die scheve situatie rechtzetten. In 2003 levert hij een knap staaltje literaire non-fictie af, Trawler, in het Nederlands vertaald als Storm. De schrijver neemt ons mee aan boord: ‘Verder naar links lag zo’n vervallen trawler afgemeerd: het bovenste deel van de romp was ooit oranje geschilderd, de brug en de dekken wit, maar nu vertoonde het schip zoveel strepen en vlekken en patronen van de roest, nu waren de staalplaten zo bobbelig van lagen verf en roest, dat het leek te leven, zichzelf was en niemand anders, alsof het oud en rimpelig was geworden, uitgeput was geraakt, en nu, op zijn ligplaats, op sterven na dood was.’
Het schip dat hij beschrijft is de Norlantean, een diepzeetrawler. O’Hanlon heeft dat schip uitgekozen omdat dat het enige is dat vanaf de Orkneys ook zee kiest wanneer de weerman orkaan voorspelt.
Schipper is Jason Schofield, ‘getrouwd met een vrouw uit een grote, keiharde trawlerdynastie van de Orkneys en zijn schoonvader heeft hem na zijn huwelijk op de proef gesteld: hij heeft hem inderdaad een tweedehands trawler gegeven, maar Jason beschikte niet over een rondvisquotum, en zodoende moest hij zijn trawler ombouwen voor de nieuwe diepzeevisserij. En die verbouwing heeft hem ruim twee miljoen pond gekost. Jason staat op zijn dertigste voor twéé miljóén pond bij de bank in het krijt. (…) hij moet elke tien dagen zo’n slordige 50 000 pond  binnenbrengen. (…) Hij móét uitvaren tijdens de januaristormen.’
Je bent schipper-eigenaar van zo’n diepzeetrawler en je hebt geen rondvisquotum. Wat moet je dan doen? Je gaat op zoek naar niet-gequoteerde soorten, soms is dat vis waarvoor zelfs nog geen markt bestaat: ‘De Fransen zijn ermee begonnen (…) De westkust van Schotland… Vangsten die in Lochinver zijn aangevoerd… De grote aanzet van dit alles… in 1989… nog maar zó kort geleden — de Atlantische slijmkop… grenadiervissen…’ Destijds ‘heeft niemand er veel aandacht aan geschonken. Maar toen voerden ze 50 000 ton Atlantische slijmkop aan (…) Dat gaf echt de doorslag. Omdat ze er ook een markt voor hadden gecreëerd. Ze hebben de naam veranderd, eerst in beryx, maar dat werkte niet, dus dachten ze aan Napoleon, als altijd, en noemden ze hem de “keizervis”. En toen begon hij te verkopen. De huisvrouw is er gek op. Overal in Frankrijk. En in Spanje idem dito.’
Alle hoop is niet verloren. Ik sluit af met een zin van Nikos Kazantzakis, te mooi om te vertalen: Forward, my lads, sail on, for Death’s breeze blows in a fair wind!

Flor Vandekerckhove

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen