zaterdag 2 april 2016

Vermijdingsrituelen in de visserij

Het schip is een symbolische vrouw. Het wordt gedoopt, krijgt een naam, een peter en een meter. Tijdens de vangst 'bezwangeren' de vissers het schip en het wordt in de vismijn 'verlost'. (Op de foto:pasen 1973. Vissers op de Vlaamse IJslandvaarder Amandine, thans museumschip in Oostende. De jongen in het midden is Johan Six.)

Oostende is een spookstad. Dat bewijst de Vlaamse Volksverhalenbank. Die bevat 174 getuigenissen van Oostendenaars die met een spookachtig verschijnsel geconfronteerd werden. Veel ervan hebben met de visserij te maken. Dat is logisch, want tot in de jaren zestig van de vorige eeuw is Oostende een indrukwekkende vissersstad geweest.
Een aantal van die vissersverhalen hebben met vermijdingsrituelen of rituele mijdingsregels te maken. Zo moeten sommige woorden (‘paster’) aan boord vermeden worden, sommige voorwerpen (lange broden, krentenbroden) en sommige handelingen (scheren)… Op weg naar ’t schip mijd je priesters, vrouwen (Miete Delange in ‘t bijzonder) en sommige dieren (katten). Het zijn taboes (woordtaboes en visuele taboes).  Als ze niet vermeden worden, kunnen er bovennatuurlijke sancties volgen.
Die spookverhalen hebben bijgevolg een welbepaalde functie, ze herinneren de vissers aan de gevolgen van onzorgvuldigheid en ze zorgen ervoor dat de taboes gerespecteerd worden.
Stefaan Top (univ. Leuven) is een specialist in de Volkskunde.
Onder zijn impuls werd de Vlaamse Volksverhalenbank opgericht.
Uit zo’n verhalen valt veel te leren. Bij het uitvaren moeten vrouwen gemeden worden, pastoors, katten, maar vreemd genoeg ook… zwanen. Bestaat er een verband? Wat hebben een vrouw, een pastoor en een zwaan met elkaar gemeen?
In 1958 noteerde een wetenschappelijk medewerker van professor Stefan Top volgend verhaal uit de mond van een Oostendse visser. Hij heeft het over een zekere Aspeslagh, e visscher die voarde en die mêns aad alle tegenslagen van de wêreld. ’t Was z’n eigen schip, stief katteliek, awor, ê j’aad ol de tegenslagen van de wêreld. Bie zoverre datten soms in zèè e zwoane zaag zwemmen, gelik of da j’ier in den of êt. Zo die zwoane kwaam tegen de boord, zo ze verschuwden ziender dadde en da wilde mo nie weg goan. Tot op e zekere kèè datten e sleep deide op ze visscherie en ter zat toar mor èèn toenge in, e groaten, jüste ’t vel over de groate. Zo nateurlik, j’êt da toa were over boord gesmeten.
En osten ton thüs kwaamde, je gienk ton no de paster, je gienk da gon zeggen. En de paster zei: “Ewêl, je zie gie beëkst gewist. Aa j’em in ’t vier gesmeten, ewor, die ekse gieng verbrand gewist ên.”
Zo die paster êt em ton belezen, wiewoater en ollegoare meegegeven.
Zo j’is ie ton nateurlik were in zèè gegoan. Mo da was nog assan ’t zêlfde. Z’ên em tonne e krüsbeeld gegeven, voer an ze korre t’ angen. Ton is da mo stilletjes an, stilletjes an verbeterd awor. Enne zo êtten ie toen nieks mi gewoare geworden.’
In vind nog gelijkaardige voorvallen. ‘Da was e visscher ên je gienk no zèè met de sloepen nog in de tied ee. En osten an d’oede kerke komt wo da de peperbusse nu nog assan stoat, ter lopen doa zes klèène zwoantjes, gèèle klintjes; “Wa doet dadde ier” zegten “in ’t gat van de nacht, die zwoantjes. Kom bèèsje kom” zegten, en med under panger (…), lokten die bèèsjes bie em en stikten z’n in ze panger. Enne je go no ’t schip, en je go no zèè, en je zegdie an niemand niet. En oan ze al verre in zèè zien, d’èèste nacht, vertelten, wa datten doa mee êt en woa datten da gevoenden êt.
“Ja mo” zegt de kappeting “rap je gie mor alles op” zegten.
“Ewê”, zegten “wad is ter doar an gelegen” zegten “omme binnen zien ‘k gon ze kik lienks of rechts dragen, ze kunnen z’op kwèèken” zegten.
Mo nu den twidden nacht, je wilt die bèèsjes eten geven en da zien in de platse dosoofden. Je roept de kappeting en roept de zes andere mannen, — zes mannen en e joengen is ter an boord van de sloepen — en die mânschen stoan aal verstomd. En zegt de kapting: “Dat is e slich voortèèken” zegten “ke gon ik nie vors” zegten “ke goan ekik nie verder op de visvangste, ‘k gon ik werekèèren” zegten en je vroege d’ander mênschen under avies, en zieder weregekèèrd! En oan ze binnen kwamen die vint die ze gevangen adde, doar an de peperbusse, ze wüf was dood, ze wüf was gestorven.’
En zo zijn er in die Volksverhalenbank nog een aantal vertellingen te vinden waaruit blijkt dat zwanen te mijden zijn. De vraag is waarom.
Er bestaat een antropologische studie die het over dergelijke rituele mijdingsregels heeft (*) Daarin wordt het verschijnsel als volgt geduid: Waar sprake is van gevaar, economische onzekerheid en onvermogen om ecologische krachten te beheersen, daar treft men rituelen, magische handelingen en taboes aan.’ Het spreekt vanzelf dat de visserij hieronder valt. De visserij is ook vandaag nog altijd het gevaarlijkste beroep ter wereld, er bestaat nog altijd geen zee zonder stormgevaar en de opbrengst van de visserij is nooit op voorhand bekend. Het is een situatie die bij de betrokkenen gevoelens van angst en onzekerheid oproepen. Rituele mijdingsregels helpen, net als amuletten (kruisbeelden, paternosters…) die gevoelens te onderdrukken.
Rob van Ginkel (universiteit A’dam) is een antropoloog
die zich sinds 1988 op het maritieme geconcentreerd
heeft. Zo bestudeerde hij ook overgangsriten in
vissersgemeenschappen.
Vandaar ook dat de overgang van het vasteland naar de zee, de afvaart, ter zake erg gevoelig ligt. Tijdens die overgang nemen de vissers een veelvoud van ongeschreven regels in acht die hen van een goede vangst en een behouden thuiskomst verzekeren.
In de Volksverhalenbank vind je dan ook een aantal verhalen van vissers die weigeren uit te varen als er een slecht voorteken is: ‘Ja, Miete de Lange, godomme, m’ên nog bie eur geweund, m’ên nog in èèn üs geweund, j’aam. Os’t er e sloepe moest in zèè goan, en ze zaat zie op e poale woa dad under ende an vaste was, ze giengen zieder ni zeggen: “Madame, god e bitje weg wè.” Nei’s, ze giengen zieder wachten toe da ze giengde. Ja, ze giengen nie weg goan wi, ze giengen in zèè nie goan.’
Die vrouw was een slecht voorteken, net zoals hoger vermelde zwaantjes dat waren. Maar nogmaals, wat is het verband tussen een vrouw en een zwaan?
Er is een wetenschapper die in 1964 een ter zake belangrijk verband ontdekt. (**) Hij onderzoekt welke dieren zoal taboe zijn bij de afvaart. Een eerste categorie bestaat uit dieren waarvan mensen geloven dat duivels en heksen zich erin transformeren. Zo bestaan er vissersgemeenschappen waar hazen, konijnen, vossen, ratten, katten, honden, raven of kraaien vermeden moeten worden.
Er is nog een andere categorie en die bestaat uit dieren die ambigu zijn. Zo is zalm een taboe in vissersgemeenschappen van Bretagne en Schotland. Da’s merkwaardig, want een zalm is een vis. Maar omdat hij zowel rivier- als zeevis is, is hij dubbelzinnig. Ook dieren die zowel op land als in het water leven zijn ambigu. Paling en otter zijn taboewoorden in de Shetlands, zeehonden (Shetlands, Orkney, Schotland en Zweden), alligators in Texas en kikkers in Zweden. Dat zijn allemaal dieren die zowel te land als te water leven. En zoals bovenstaande spookverhalen ons leren, geldt er in de Oostendse visserij een taboe op zwanen, ook een dier dat zowel te land als te water leeft, ambigu is en dient gemeden te worden.
Dat zijn dieren. Maar waarom is er dat taboe op vrouwen? Ze behoren tot de vissersgemeenschap, waarin ze belangrijke taken uitoefenen (sociale reproductie, netten breien, zakelijke taken zoals de verkoop…), maar ze werken niet aan boord van het vissersvaartuig. Daarin ligt hun ambiguïteit. Om alle onzekerheid te bannen moeten de zaken in zo’n overgangsritueel gescheiden blijven: vrouwen dienen bij de afvaart vermeden te worden.
Antropoloog Rob van Ginkel zegt het als volgt: Vanaf het moment dat vissers hun huis verlaten om zich op weg naar hun boot te begeven, tot het tijdstip waarop ze weer voet aan land zetten, vertoeven ze in een ander en minder bekend fysiek en cognitief domein. Gedurende dat tijdsbestek zijn ze, niet alleen in lichamelijke en economische zin, maar ook en vooral in bovennatuurlijke zin, bijzonder kwetsbaar. Dat ze zich niet met vrouwen kunnen associëren, die moeten mijden, komt omdat ze op weg zijn naar een andere, symbolische vrouw, te weten hun boot.’
Vissersvrouwen spelen een belangrijke rol in de visserij,
maar niet aan boord van 't schip. Daarom zijn ze 'ambigu'.
Op de foto: vissersvrouw Maria Poitier tijdens WO II in Brixham.
Het schip als andere vrouw! Het is inderdaad iets wat ik ook in de Vlaamse visserij gehoord heb. Van Ginkel bevestigt: ‘Een vaartuig is niet slechts een materieel, maar ook een symbolisch object. Een boot wordt gedoopt, krijgt een naam (vaak van een vrouw) en heeft soms zelfs peetouders. Er wordt altijd in de vrouwelijke vorm aan een boot gerefereerd.’
Van Genkel merkt ook een zekere seksuele connotatie op in de aard van het visserswerk: Vissers werpen hun netten uit en 'bezwangeren' hun boot met de vangst, die zij in haar 'buik' (het ruim) bewaart. In een haven wordt de boot van haar vangst 'verlost.' De economische reproductie in de visserij vertoont een opvallende familiegelijkenis met de sociale reproductie. Men zou kunnen zeggen dat een vaartuig voor vissers, gedurende de vaart, een symbolische eega is. Zij hebben deze 'vrouw' nodig voor hun economische reproductie en kunnen zich derhalve niet associëren met andere vrouwen, die deze reproductie in gevaar brengen.’
Rest ons alleen nog een vraag op te lossen. In de Volksverhalenbank staat ook dit: ‘E je mocht nie spreken van e paster, van e nunne wêl ja, mo van e paster nie.’ Pastoors en dominees moeten ook bij het uitvaren gemeden worden. Dat geldt in Oostende, maar ook in Nederland, de Orkneys, Bretagne, Schotland, Shetland, Far Oer, New England (USA), Texas (USA), Vigo (Spanje)… Waarom is een pastoor eigenlijk taboe? Van Genkel zegt er dit over: Als intermediairs tussen het sacrale en profane zijn geestelijken uiteraard ambigu. Bovendien nemen zij een drempelpositie in in vissersgemeenschappen. Zij komen van buiten de gemeenschap, zijn dus buitenstaanders, maar ze spelen daarin niettemin een belangrijke rol bij de rites de passage verbonden met de levenscyclus, waardoor ze zowel met het leven als met de dood geassocieerd worden. Dat laatste vormt een extra aanleiding om een ontmoeting met een priester of dominee te vermijden.’
Flor Vandekerckhove

(*) Rob van Ginkel. Tussen wal en schip. Taboes en territoriale overgangsriten in Noord-Atlantische vissersgemeenschappen. In Etnofoor I (2) 1988, pp. 108-127.
(**) Anthropological Aspects of Language: Animal Categories and Verbal Abuse. In: E.H. Lenneberg (Ed.), New Directions in the Study of Language. Cambridge.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen