maandag 4 augustus 2014

Leven en werk van kapitein Arseen Blondé

Arseen Blondé (°Adinkerke 19 no­vember 1880 - †Oostende 13 december 1971), bijgenaamd ‘Tjène’, is wellicht de beroemdste kapitein die de Vlaamse visserijsector ooit voortgebracht heeft. Deze telg uit een armlastig gezin heeft het niet alleen tot kapitein geschopt, hij organiseerde ook een vissersvakbond en was zelfs medestichter van een van ‘s lands grootste rederijen ter zeevisserij. Hij pionierde in Afrika, verdiende zijn sporen in de WOI. Hij is lange tijd gemeente­raadslid geweest en werd meer­maals gelauwerd, gedecoreerd en gevierd.

De ontwikkeling van de Oostendse visserij was spectaculair en trok veel vissers uit de
Westhoek aan. Ook de familie Blondé verhuisde naar Oostende.
Net als zoveel anderen, die in de Oostendse visserij een vooraanstaande rol gespeeld hebben is Blondé afkomstig uit de Westhoek waar hij op 19 november 1880, in Adinkerke, geboren wordt. Een oud nummer van Het Visserijblad leert ons iets over zijn afkomst: ‘Zijn vader was visscher, die 23 jaren lang op IJsland vaarde, zes lange maanden wegbleef, om in ’t gure en killige Noorden, de schamele korst brood te verdienen voor zijn vrouw en talrijke kroost.’ (1)
De Oostendse journalist Herman Moerman voegt er in 1966 aan toe: ‘Het varen zat hem van jongs af in het bloed, zijn vader deed niet minder dan 17 reizen op IJsland en verloor er ook zijn schip.’ (2)
Nog later, in 1971, naar aanleiding van het overlijden van Arseen Blondé, publiceert het weekblad De Zeewacht een overzicht van ’s mans leven. Daarin komt Blondé zelf aan het woord: ’(…) en vader die een rasechte Pannenaar was, bedreef regelmatig de IJslandvaart om dan ’s winters, met eigen schuit, er nog een centje bij te verdienen.’ (3) Dezelfde journalist had al eerder in De Zeewacht over de afkomst van Blondé geschreven: ‘Vader Blondé was een Pannenaar die regelmatig de IJslandvaart bedreef, maar ’s winters niet met gekruiste armen bleef zitten bij de keukenstoof. Dan moest er uitgevaren worden met eigen schuit. En Tjene moest mee. Geen sprake van studeren. Er dienden centen te worden binnengebracht.’ (4)
Er zijn nogal wat vraagtekens te plaatsen bij deze krantenverslagen. Heeft vader Blondé effectief drieëntwintig jaar op IJsland gevaren? Is dat gebeurd tijdens zeven­tien reizen van zes maanden? Het zijn indrukwekkende cijfers, zelfs voor een doorgewinterde IJslandvaarder uit de barre en schrale Westhoek van die tijd. Heeft hij daar ‘zijn schip verloren’? Betekent dat laatste dan dat hij reder was of schipper? Mocht de kleine Arseen geen school lopen omdat hij in de winter met vader ter visserij voer?
Wij vroegen het aan Johan Depotter. Van hem verscheen een uitgebreide studie waarin alle feitelijke informatie verzameld werd over de IJslandvaarders uit de westhoek, een zeer lezenswaardig werk (5). Depotter: ‘Of de vader van Arseen Blondé zeventien reizen op IJsland gemaakt heeft en gedurende zesentwintig jaar IJslandvaarder was, heb ik niet kunnen achterhalen. Ik vermoed dat die cijfers overdreven zijn. Ik heb enkel gegevens gevonden van twee campagnes die hij meege­maakt heeft. In 1875 vaart deze Philippus Jacobus Blondé (geboren in Adinkerke op 2 augustus 1842) inderdaad naar IJsland. Hij doet dat vanuit Duinkerke en scheept in als matroos op de goélette Laure. De start van de campagne verloopt moeizaam, want na vijf dagen varen maakt het schip water in het vooronder. Op 7 maart loopt de Laure binnen in de kleine Schotse haven Whitby voor inspectie en het nodige kalfaatwerk. Kapitein Evrard wordt bovendien ziek. Op 2 april keert men terug naar Duinkerke. Op 15 april kan men dan toch weer zee kiezen, weliswaar met een andere Kapitein.’ Depotter heeft ook gegevens gevonden over de daarop vol­gende zeereis van vader Philippe Blondé: ‘In 1876 verliep zijn reis rampzalig. Samen met Karel, alias Den Blinden, Soete was hij als matroos aangemonsterd aan boord van de goélette D 56 Martha. Bij de start al liep het mis, want op 14 maart kregen ze zo’n pak zee te verwerken dat de goélette uit balans raakte en kapseisde. Gelukkig was de goélette Cérès in de buurt en daar zette men de roeiboot uit. Bij de redding verdronken helaas toch nog twee bemanningsleden van de Martha: kapitein Jean Wallyn en matroos Isidore Preikfort. Vanuit Leith werden de overige drenkelingen gerepatrieerd. Ik vermoed dat deze reis de laatste is die Phlippe Blondé naar IJsland gemaakt heeft.’
Depotter weet nog meer over de ouders: ‘Philippe Blondé huwde in ‘t jaar 1871, op 29-jarige leeftijd, met Isabelle Elise Debeerst, (°Ghyvelde Frankrijk, 1851) die in haar geboorteplaats het beroep van visserin uitoefende. Na het huwelijk woonden ze in de Pannewijk te Adinkerke.’ In Adinkerke geeft het gezin geboorte aan zeven kinderen waarvan Arseen op een na het oudste is. Moeder zou in Oostende ook nog eens drie kinderen ter wereld brengen.
Mocht de kleine Arseen in Adinkerke niet naar school omdat hij ‘s winters met vader de zee op moest? Dat is wat journalist Lauwers laat uitschijnen in hoger vermeld krantenstuk. Het klinkt heroïsch, maar is het ook waar? Wellicht is het ‘gazetten­praat’, want ten laatste in 1886 verhuist het gezin naar Oostende. Arseen Blondé is dan nauwelijks zes jaar! Te jong wellicht om zee te kiezen, te jong zelfs om school te lopen.
In Oostende krijgt hij wel degelijk onderwijs, zo staat het in dat oude nummer van Het Visscherijblad: ‘Op zes jarigen ouder­dom verliet hij met zijn ouders zijn geboortedorp en vestigde zich te Oostende waar hij de lessen volgde van Mijnheer Tabary toenmalig bestuurder der stedelijke visschersschool.’ Die school zou inder­daad in 1886 opgericht worden.
In het interview dat Zeewachtjournalist Lauwers van Arseen Blondé afgenomen heeft, heet het dan weer dat de familie al een jaar eerder naar Oostende verhuisd is. Blondé zegt in het zelf: ‘In 1885 zou onze familie naar Oostende komen wonen. Vader had een plaats van stuurman gekregen op de sloepen. Het staat mij nog fris in ’t geheugen dat op de dag van onze aankomst alhier, ook de eerste stoomtram toekwam. De halte was ter hoogte van het O.L.Vrouwcollege.’
Dat het gezin al in 1885 in Oostende kwam wonen, heeft ook André Baert vernomen. Als achterkleinzoon van Arseen Blondé heeft hij daar Marie-Louise Baert-Blondé (de op een na oudste dochter van Arseen) nog over kunnen ondervragen. Zo vernam hij dat het armlastige gezin inderdaad in 1885 in Oostende toekwam. De familie vond er een eerste stek op het St.-Petrus- en Paulusplein, in een huis waar thans het hotel New Maritime staat. De Blondés mochten er rekenen op de steun van Mong Zonnekeyn, een Oostendse schipper, waar­van geweten is dat hij veel Pannenaars in Oostende hielp integreren. De hulp van Zonnekeyn was erg concreet, zo kon Baert vernemen: ‘Moeder Blondé was ziekelijk en is op kosten van Zonnekeyn in Gent geopereerd’.
Wanneer begint de kleine Arseen te varen? Ook daarin spreken de kranten elkaar tegen. Het Visscherijblad van 1938 laat uit­schijnen dat hij in Oostende al meteen met vader in zee stak: ‘’t Was op zulke terugreis, dat toen hij met zijn vader aan wal stapte hier in 1887 het conflict tusschen Vlaamsche en Engelsche visschers tot zijn kookpunt gerezen was (…)’
Het conflict waarvan sprake is de beroemde Oostendse vissers-opstand: ‘Alhoewel jong, en later meer en meer overtuigd van de gerechtigheid der Vlaamsche visschers, maakte dit een diepe indruk op zijn kinderziel, indruk die later zou opwellen tot steun en verhef­fing zijner werkgenooten voor wien hij alles veil had.’
Officieel monstert Arseen Blondé naar eigen zeggen in 1890 aan als scheepsjongen op de O 2. Stuurman wordt hij voor het eerst aan boord van de stoomtreiler Tourquenois van de hulpvaardige Zonnekeyn. Tegelijk zet hij zijn studie verder, want Gust Beyen (6) vogelde uit dat hij op 1 juni 1901 aan de zeevaartschool het brevet van patron-pêcheur verwerft. In dat jaar wordt Arseen ook effectief voor het eerst schipper, zo zegt hij het zelf aan Zeewachtreporter Lauwers: ‘Kijk maar naar mijn monsterboekje. In 1901 verkreeg ik mijn eerste “ticket” als schipper op de O 63 [Hélène] van reder Cesar Degroote.’ Dat mon­sterboekje is voor ons helaas niet in te kijken. Achterkleinzoon André Baert vermoedt dat het in het bezit is van familieleden die naar Wallonië uitgeweken zijn.
1913. Wellicht aan boord van de O 130 Jacqueline. 
Bovenaan links: kpt Arseeen Blondé.
Rechts naast hem staat reder John Bauwens. (Foto Amsab)
Ook over het overlijden van vader Philippe Blondé zijn de kranten onduidelijkheid. Volgens Het Visscherijblad van 1938 sterft die vader al in 1891, wat voor de auteur aanleiding is om een naturalistisch sfeerbeeld te schetsen dat minder met goeie journalistiek dan met slechte literatuur te maken heeft: ‘Elf jaar
 oud zijnde stierf zijn vader, een ziekelijke moeder met zeven minder­jarige kinderen achterlatende waarvan hij de broodwinner was. ’t Waren harde tijden, moedig scheepte hij in onder ’t geleide van pionier Zonnekeyn, van wien hij steeds met vooringenomenheid spreekt. Hij bekwaamde zich in zijn vak eerst als jongen, dan als matroos en uiteindelijk als stuurman. Het loon was gering voor ’t harde labeur, maar moeder was zuinig en al ontbrak den welstand toch wist zij de twee eindjes aan elkaar te knopen.’ Wacht toch nog even met snotteren, want dat vermeende vroegtijdige overlijden van vader Blondé wordt ferm tegengesproken door hoger vermelde Gust Beyen. Die weet zeker dat Philippe Blondé pas op 2 april 1932, op de leeftijd van 89 jaar, in Oostende overleden is. Het is zijn zoon Arseen die op die dag aangifte van dat overlijden doet. De moeder van Arseen zou dan weer op 10 mei 1897 overleden zijn. Zij werd slechts vijfenveertig.
Arseen Blondé trouwt in 1900 met Virginia Vanwetter, zo leren we eveneens van Gust Beyen. Hij is 20, zij is 19. Over twee van de kinderen die uit dat huwelijk voortspruiten geeft Beyen ons informatie. Het betreft enerzijds Arsène, Arseen junior als het ware, geboren in 1907. Deze wordt eveneens visser en vaart als zestienjarige uit op de O 158. In 1932 haalt hij zijn schippers-brevet. Hij zou tijdens WOII in Engeland om het leven gekomen zijn. Over de in 1918 geboren Lucienne (Lucy) weet Beyen ons te vertellen dat ze later huwde met Raphael Beyen, alias Katterogge († 1994), ooit eigenaar van het kustvissersvaartuig O 116 Lucy-Jenny. Uit notities van André Baert blijkt dat Blondé niet minder dan elf kinderen zou gehad hebben. Maar of het ook klopt? In diezelfde aantekeningen vinden we immers alleen maar de namen van Germaine, Marie-Louise, Fernand, Arsène jr, Lucienne, Albert (geboren in het Verenigd Koninkrijk) en Mariette (die sterft na de reis naar Engeland).
Maar laat ons terugkeren naar de visserij. Het schippersleven van Arseen Blondé start, zoals gezegd, in 1901 op de O 63 Hélène van reder Cesar De Groote. In 1903 vinden we hem aan boord van de O 125 Tourquennois. Later neemt hij het roer in handen van de Neptune van rederij Aspeslagh, waar­mee hij rond Schotland op kabeljauw bevist. Tijdens die reis krijgt hij een visserijcontroleur aan boord die van oordeel is dat kapitein Blondé niet alleen kabeljauw gevist heeft, maar in de kustwateren ook op onrechtmatige wijze haring heeft gevangen.
Ik weet niet meer wanneer ik de term ‘limietenvisser’ voor het eerst gelezen heb. Wellicht is het in een levensverhaal van een of andere IJslandvisser. Het woord drukt een praktijk uit waarin Vlaamse schippers zich plachten te specialiseren. Naarmate de naties hun visgronden gaan beschermen, en ze de visserij dus limieten opleggen, zoeken die schippers de grenzen van de wettelijkheid op, door bijvoorbeeld letterlijk op de randen van voor hen verboden zones te vissen en ze uiteraard ook te overschrijden zodra de kust (letterlijk en figuurlijk) veilig is. Ook in de vroege jaren 1900 zijn de visserij-beperkingen er blijkbaar al om door de vissers overschreden te worden. Hoe dan ook, er volgt een veroordeling: 100 pond boete en de kapitein wordt aangehouden tot de boete betaald is. Van zodra dat gebeurd is, kiest Blondé het hazenpad. ‘s Nachts neemt hij clandestien het aangeslagen vistuig weer aan boord en kiest zee.
Drie jaar later is hij weer actief rond Schotland, deze keer aan boord van de O 183 Marcella, een schip van de Pêcheries à Vapeur (PV) van de bekende Oostendse reder John Bauwens. Hij wordt daar door dezelfde visserijcontroleur weer in de kustzone betrapt en opgeleid. Zowel de controleur als Blondé herinneren zich zijn ‘ontsnapping’. Blondé begrijpt dat de rechter daardoor niet mild zal oordelen. In de haven bekok­stooft hij met motorist August Vincke en met de stuurman een plan, wacht het geschikte moment af en geeft dan het bevel om op volle kracht weg te varen. De kabels waarmee de Neptune aan het controleschip vastgemaakt is, springen als touwtjes en Blondé kiest weer het hazenpad. Hij wordt bij verstek veroordeeld tot 400 pond boete en een gevangenisstraf van zes maand. Wat betekent dat de voortvluchtige Blondé zich nooit meer in Britse wateren mag laten zien. Hij wordt door reder Bauwens van de Marcella gehaald, maar hij blijft wel voor dezelfde rederij varen. Zo wordt hij in 1908 ingezet voor een campagne in de Witte Zee.
Het eerste stoomschip van de NV Oostendsche Reederij 
werd genoemd naar de Gentse
socialistische voorman Edward Anseele. 
In 1913 vertrekt hij met de O 130 Jacqueline van dezelfde rederij naar Congo om er de visserijmogelijkheden uit te testen. Bedoeling is dat de 14 Belgen er twee jaar blijven. Het wordt een beroerde reis, onder meer omdat Florimond, de broer van Tjène, die ook mee aan boord is, in Congo over­lijdt ten gevolge van een insectenbeet. Het wordt bovendien nog beroerder omdat de oorlog uitbreekt. De Belgen krijgen bevel terug te keren en na enige avonturen lukt hen dat ook, maar Oostende blijkt intussen al een stad in volle oorlog te zijn. Blondé blijft er tien dagen en besluit intussen met zijn familie naar Engeland te vluchten. In het ruim van de O 130 vinden ze 500 vluchtelingen die met hen meewillen. In het interview met reporter Lauwers zegt Blondé daarover: ‘Te Folkestone zette ik er 452 af en de overige in Milford Haven, die mijn aanleghaven zou worden, alhoewel ik eerst zinnens was terug naar Oostende te varen om nog meer vluchtelingen af te halen. De schipper van een baggerboot van de firma Cloet wist mij noch­tans te zeggen dat de Duitsers Oostende binnengerukt waren.’
Avonturen genoeg. Het schip wordt herdoopt tot Raymond en hij vaart opnieuw ter zeevisserij, maar nu vanuit het Britse Milford in plaats van uit Oostende. Hij spot onderweg de uit Montreal afkomstige SS Morwenna, schip dat door een Duitse onderzeeboot beschoten wordt. Blondé aarzelt niet en vaart in rechte lijn op de onderzeeboot af om die te kelderen. Inmiddels is de Morwenna geraakt en begint het schip te zinken. De duikboot richt zich nu op de O 130 en schiet minstens vijftig kogels af, waarbij een visser dodelijk getroffen wordt. Uiteindelijk kiest de duikboot het hazenpad omdat het schip van Blondé almaar nader komt. De Oostendenaars halen 29 drenkelingen uit zee en pikken ook nog eens drie gewonden op.
Het is niet de enige oorlogsdaad die Blondé daar stelt en hij is niet de enige Vlaamse schipper die zich ter zake laat opmerken. Velen werden ervoor gelauwerd. Overigens zijn er daarnaast ook veel krantenberichten te vinden waaruit blijkt dat Blondé inderdaad een bijzonder kranig zeeman was die meerdere keren hulp bood aan mensen en schepen in nood, en niet alleen in oorlogstijd. Getuige daarvan is een krantenstuk ondertekend door een zekere R. Vercammen. We bezitten er slechts een fotokopie van en de krant (wellicht van socialistische huize) waarin het stuk geschreven stond, noch de datum waarop zijn ons bekend, maar het artikel leert ons dat Blondé, omwille van zijn zeemanschap, bijna vereerd wordt. Pennenlikker Vercammen besluit zijn stuk bombastisch als volgt: ‘Mijn waarde Kapitein en Broeder, moedige zeebonk, edele ziel! Wat de vrienden van U denken? Dat ge een toonbeeld zijt van het heldenras dat gij zo waardig vertegenwoordigt: de zeevisscherij-bevolking.’
Na de oorlog keert het gezin Blondé-Vanwetter weer naar Oostende. De vissers die de oorlog in Engeland doorgebracht hebben, hebben daar een belangrijke evolutie doorgemaakt. In Engeland hebben ze de vakbonden aan het werk gezien, de ‘unions’, en daarbij geconstateerd dat het lot van hun Britse vakgenoten merkelijk beter was dan wat zij hier in België gewoon waren. Van Tim Maertens vernemen we dat de Belgen in Engeland trouwens voor het eerst ook zelf in syndicale actie komen: ‘Na enige tijd in Engeland brak er dan ook een staking uit onder de machinisten van de Belgische stoomsloepen, die de toepassing eisten van de lonen van hun Engelse collega’s in de stoomvisserij. De staking duurde enkele dagen en werd gesteund door de Engelse metaalbewerkers. De kapitein Arseen Blondé, (…) trad op als spreker en uiteindelijk werd de slag thuisgehaald. Door dit bereikte resultaat besloten de vissers te Milford over te gaan tot de stichting van de “Union van Belgische zeelieden” of Zeemansbond, dat onder het bestuur van de secretaris van de ‘Seamen and Firemen Union’ van Milfordhaven stond, waarbij al de Engelse zeelieden waren aange­sloten. De Belgische reders van hun kant, die in Engeland voor de eerste maal met de kracht van de collectieve actie van de vissers werden geconfronteerd, gingen eveneens over tot de stichting van een vereniging om hun belangen te verdedigen, de ‘Union des Armateurs-Reedersvereeniging’. (7)
Blondé en de zijnen komen in Oostende toe met een treiler vol vis die aan de Oostendse bevolking uitgedeeld wordt. Reder Bauwens vraagt Blondé om weer naar Congo te varen om daar het pionierswerk verder te zetten. Hij moet daarvoor eerst weer naar Engeland om er in opdracht van de rederij PV van Bauwens een geschikt schip aan te kopen. Wanneer Blondé op 24 juni 1920 met die ‘Boula Matari’ Oostende binnenvaart is er in de visserij een staking aan de gang. Tim Maertens weer: ‘Blondé verklaarde zich dan ook solidair met zijn collega’s. Daardoor kwam hij in conflict met zijn rederij die wilde dat hij ondanks alles naar Belgisch-Congo vertrok. Blondé zou geantwoord hebben: “alleen met een gesyndikeerde bemanning en na de staking.” Door het volhouden werd de charismatische kapitein ontslagen.’ De reders laten er Blondé een hoge prijs voor betalen. Net als de eveneens militante kapitein Louis (alias de boeie) Zonnekeyn vindt hij geen werk meer.
Blondé herinnert zich evenwel de oproepen van de Gentse socialist Edward Anseele die al ten tijde van de vissersopstand in 1887 opgeroepen had tot het vormen van een eigen rederij. Met enkele vakbondsmilitanten trekt Blondé naar Gent waar op 6 november 1920 voor het eerst over dit onderwerp verga­derd wordt. Dit resulteert op 1 oktober 1921 uiteindelijk in de stichting van de NV Oostendsche Reederij, een onderneming geleid door socialisten en die daarom door de Oostendenaars al gauw als ‘de rode vloot’ omschreven wordt, een vloot be­staande uit ‘schepen van de bond’. Arseen Blondé, voorzitter van de Zeemansbond, wordt walkapitein.
Het kapitaal van de onderneming wordt op twee miljoen frank gebracht, te verdelen over 4.000 aandelen van 500 frank. Merkwaardig daarbij is dat ook Arseen Blondé zelf voor 30 aandelen intekent. Wat ons laat vermoeden dat kapitein Blondé tegen die tijd (en nadat hij al een jaar lang geen vaart meer gevonden heeft) al geen klein vissertje meer genoemd mag worden.
De geschiedenis van deze merkwaardige rederij wordt uit­voerig beschreven in hoger vermelde masterproef van Tim Maertens die daarvoor ook steunt op het indrukwekkende opzoekingwerk van HVB-medewerker Louis Vande Casteele: ‘Gedurende dertig jaar dat de rederij heeft bestaan, zijn er 82 schip­pers geweest die de schepen hebben gevoerd.’ (8)
Zeker in de eerste jaren van het bestaan van deze rederij speelt de socialistische vakbond van voorzitter Arseen Blondé een grote rol. Dat mag ook blijken uit wat Vande Casteele ons daarover vertelt: ‘In 1923 breekt er o.a. te Oostend de grote staking der dokwerkers uit, die dertien weken duurde. Op het Hazegras werd op kosten van de rederij gratis een of tweemaal per week vis uitgedeeld aan de 1400 stakers. De frequentie van uitdeling van de vis geschiedde volgens de aankomst der schepen van de rederij. Deze kocht haar eigen vis op en zorgde daarna voor uitdeling ervan. Dit was een zeer grote steun die de rederij (syndikaat) aan de stakers kon geven.’
Ook voor de bemanningen zelf betekent de ‘rode vloot’ heel veel. Een varende kapitein verdient in het begin van de jaren twintig bij de schepen van de bond gemiddeld 2.500 frank per maand, een machinist 1.200, een stuurman 1.100 en een matroos 600 à 700 frank, aldus de volkskundige auteur Beyen. Historicus Jaak Mertens voegt daaraan toe: ‘De Rode Vloot verzekerde als eerste maatschappij haar bemanning tegen arbeidsrisico’s, zorgde voor een voortgezette opleiding van de bemanning, paste de lonen - die hoger lagen dan in iedere andere rederij - aan de index aan, rustte haar schepen uit met draadloze telegrafie…’ (9) Het belet de rederij niet om tegelijk een van de allergrootste uit de Belgische visserijgeschiedenis te worden. Vande Casteele: ‘[In 1926] telde de rederij 20 schepen, nl. De 19 stoomvaartuigen en een motorschip.’ Daarop werden 300 vissers tewerkgesteld.
We leven in een tijd waarop de zaken scherp gesteld worden. In 1936 breekt in Spanje een burgeroorlog uit. De fascistische generaal Franco valt er de democratisch verkozen regering aan. Het land splitst zich in twee kampen. België verkiest in het conflict neutraal te blijven, maar de socialisten kiezen wel degelijk partij, ook de Oostendse: ‘De initiatieven voor de vluch­telingen van de Spaanse burgeroorlog waren er het mooiste voorbeeld van. Er werden meetings georganiseerd tegen het Spaans fascisme en er werd een “komiteit ter bescherming der Spaanse kinderen” opgericht (…) Dat het niet bij woorden alleen bleef, blijkt uit het feit dat Jules Peurquaet [een Oostendse socialistische voorman, n.v.d.r.] een Spaanse pleegzoon had. Eén mei 1938 stond in het teken van de solidariteit met Spanje: er werd twee en een halve ton levensmiddelen rondgehaald en in augustus van dat jaar werd in de velodroom een Rode Kermis gehouden ten voordele van de “Spaansche kameraden”.’ (10) Van André Baert weten we dat ook kapitein Blondé een Spaans meisje in huis genomen had.
Misschien deden de Oostendse kameraden nog meer. Dat is althans wat de kranten uit die tijd laten vermoeden. In Oostende wordt in 1936 beslag gelegd op het schip ‘Raymond’ van de rederij Rau. Men vermoedt dat het schip illegaal wapens transporteert naar Spanje. In kisten die volgens de vrachtbrieven glas bevatten, wordt er door de douane geweren en bajonetten aangetroffen. ‘Naar verluidt werden de wapens aangebracht in vier auto’s komende van Antwerpen. Er zijn 120 kisten met wapens, wegende ruim 15 ton.’ (11) Wie wilde deze wapens vervoeren en naar welke bestemming? Rau bleef buiten schot, want hij had het vaartuig verhuurd aan… Arseen, Tjène, Blondé. Er volgt uiteraard een onderzoek. Kapitein Vilain, stuurman Camiel Lafere, de scheepsagent, vader Rau en Arseen mogen het komen uitleggen. Het parket verricht verschillende huiszoekingen bij socialisten en in de kantoren van de Transportarbeidersbond.
Zo uitgebreid als het artikel in de Gazet van Oostende is, zo kort is het stukje in Het Visscherijblad dat ons leert wat de gevolgen zijn voor Blondé, namelijk géén: ‘Sedert verleden week Donderdag werd ook de heer Arseen Blondé, technisch bestuurder van de Oostendsche Reederij, die voor de zaak van de “Raymond” aangehouden werd, in vrijheid gesteld.’ ‘Zoals we reeds zegden: “Veel lawaai, maar niets buitengewoons kon ontdekt worden ten laste van eerlijke personen.’ (12)
Blondé wordt in Oostende fel gewaardeerd. In 1921 wordt hij al in de Oostendse gemeenteraad verkozen en in een eerste fase blijft hij dat tot 1956. Ook in de gemeenteraden tussen 1958 en 1964, dus lang nadat de rode vloot in 1951 opgehouden heeft te bestaan, vinden we hem op het stadhuis terug.
Al die tijd moet hij dus in Oostende gewoond hebben, althans officieel, want Beyen weet dat de echtgenote van Blondé in 1956 bij haar dochter Lucy Blondé inwoont. Tjène is wettelijk nooit van haar gescheiden, maar woonde in dat jaar wel al apart van zijn echtgenote. Zij in de Langestraat, hij in deRogierlaan. Beyen: ‘Al voor 1932 had Arseen zijn gezin verlaten. Ik heb nog gelezen dat hij de reputatie had een aantrekkelijk man te zijn, erg gewaardeerd bij vrouwen! De kinders en kleinkinders hebben hem dat ook erg kwalijk genomen. Ze hadden nog weinig kontakt met hem. Daardoor geraakte ik ook moeilijker aan inlich­tingen.’ Marie-Louise Baert-Blondé heeft wel het contact met Tjène behouden, maar tegenover André Baert heeft ze toch ook over dat aspect van ‘s mans persoonlijkheid getuigd. Die noteerde uit haar mond: ‘Wanneer hij belde om te zeggen dat ik vis moest komen halen in het Waterhuis deed ik dat niet graag. De diensters hingen letterlijk rond zijn nek.’ Welwel, een womanizer dus.
Wat we ook weten is dat hij ooit uit Oostende naar Bredene verhuisd is, want een Zeewachtstuk titelt over de toen al ‘ver in de tachtig’ zijnde Tjène als over ‘een waardige zoon van Bredene’. Wanneer die verhuizing gebeurd is, weten we niet, maar misschien was dat al ten tijde dat hij in de stad nog gemeenteraadslid was, want achterkleinzoon André Baert bezorgde ons een foto van het huis in Bredene, villa Forget me not. Op de achterkant staat genoteerd: ‘Don’t forget, 3 may 52’. Een schreeuw om aandacht van Arseen Blondé die met zijn familie gebroken had? Het kan, want alhoewel hij, zoals gezegd, officieel nooit van zijn echtgenote gescheiden is, heeft hij haar wel degelijk verlaten om bij zijn vriendin Rachel Valcke in Bredene te gaan wonen. Het villaatje waarin die twee woonden bestaat nog altijd (Kroonlaan 16), maar het draagt die naam niet meer. Rachel Valcke overleefde haar minnaar met een jaar en ze delen sindsdien hetzelfde graf op het oud-kerkhof in Oostende.
Op latere leeftijd komt Blondé in Bredene wonen.
Op de foto is hij juist tachtig geworden (Foto collectie A. Baert).
Tegen de tijd dat hij Oostende verliet was hij al een gevierd man. Hij stond op de rol der Marine van de Hoge Zeevaart­raad voor de Zeevisserij, maakte deel uit van het Comité der Pensioenkas voor de vissers, mag zich medestichter van het zeemanshuis Godtschalck noemen en zetelde in de Vissers-havencommissie. Al bij al een flink palmares voor iemand die, dixit zijn dochter Marie-Louise, ‘weinig geletterd was en pas goed heeft leren schrijven tussen de politiekers.’ Medailles te over ook, want hij mocht een pak internationale en internationale onderscheidingen op de borst spelden en in 1963 kon hij ook het gulden ereplaket van de stad Oostende op zijn kast zetten, alhoewel we niet goed weten waar die kast toen stond, in Bredene bij Rachel Valcke of in Oostende waar hij wellicht een officieel adres bleef houden, want hij zetelde toch tot in de jaren zestig in de Oostendse gemeenteraad, die uiteraard voorbehouden is voor Oostendenaars.
Het is hier de plaats niet om verder in te gaan op de geschiedenisvan de NV Oostensche Reederij’, die door Tim Maertens en Louis Vande Casteele vakkundig uitgeplozen werd. Wijzen we alleen op de evolutie waarbij de vakbond gaandeweg uit het beheer van de rederij geweerd werd. In de jaren veertig is van een ‘socialistische rederij’ al lang geen sprake meer. Naar aanleiding van de inhuldiging van een nieuwe aanwinst voor de rederij beschrijft de journalist van Het Nieuw Visserijblad in 1947 hoe Balthazar, de toen­malige voorzitter van de beheerraad over de kwestie spreekt: ‘“hij lochenstrafte de legende dat de Oostendsche Reederij zou verband houden, noch rechtstreeks noch onrechtstreeks met om het even welke politieke partij.’ (13) Het is een ‘statement’ dat kan tellen en die ook de nodige ophef maakt ‘omdat dit beschouwd werd als een verloochening van het vaderschap van de “Rode Vloot”.’ (14) Een en ander blijkt trouwens ook uit de naamgeving van de vaartuigen van de rederij. Waar het de gewoonte was om de schepen naar socialistische voormannen te noemen, heten de aanwinsten van 1947 ‘Winston Churchill’ en ‘Franklin D. Rooseveld’, niet bepaald socialistische voormannen. Een uitzondering daarop is de O 148 ‘Captain Arseen Blondé’, eveneens in 1947 ingehuldigd, waardoor Tjène dus een schip zijn naam ziet dragen.
Tim Maertens vermoedt overigens dat de samenwerking tussen rederij en vakbond al van in het jaar 1936 niet vlot meer verloopt. Al voor 1936 was Arseen Blondé uit het bestuur van de Zeemansbond gestapt. De leiding werd er ingenomen door Louis Major die in 1936 met de afgevaardigden van de rederij in conflict kwam over een loonkwestie. Major onderhandelde aan de vakbondskant, walkapitein Blondé zat aan de overkant van de tafel en onderhandelde ten gunste van… de rederij.

(1) 1938 - ‘Wie en Wat - Arseen Blondé’ van de redactie in Het Visscherijblad 1/1938
(2) 1966 - ‘Hoe kapitein Arseen Blondé tweemaal de kustwacht wist te verschalken’, Herman Moerman in Het Laatste Nieuws, Bijzondere uitgave Oostende, 25 januari 1966.
(3) 1971 - ‘Arseen Blondé kende een avontuurlijk leven op zee’. Ed Lauwers in De Zeewacht 24 december 1971. Hetzelfde artikel werd overigens al eerder gepubliceerd, in 1959, in een tijdschrift dat Flash heette.
(4) ‘”Captain” Arseen Blondé, een waardige zoon van Bredene’. Ed Lauwers in De Zeewacht, datum ?
(5) 2011 - ‘Onze IJslandvaarders’ van Johan Depotter, een werk in twee boekdelen, in totaal 1800 bladzijden, met meer dan 1000 illustraties, gegevens over 970 IJslandvaarders. Het werd uitgegeven door Academia Press. 70 euro voor de twee delen. ISBN 9789038218168.
(6) 1995 - ‘Kwartierstaat van Arsenius Franciscus Blondé’. Gust Beyen in ’t Calcoentje, veertiende jaargang, nr. 4 – 15 augustus 1995. Gust Beyen heeft verre familiebanden met Arseen Blondé. Lucy Blondé, de in Folkestone geboren dochter van Arseen, huwde
met de Oostendse visser Raphaël, alias katterogge, Beyen, een kozijn van Gusts vader.
(7) ‘De Oostendsche Reederij NV (1921-1951) in het kader van de Belgische
zeevisserij’. Masterproef van Tim Maertens, ingediend voor het behalen van de graad van Master in de Geschiedenis, VUB, 2008.
(8) ‘De Oostendse Reederij 1921-1951’ Louis Vande Casteele, 1980 (uitgegeven in eigen beheer).
(9) Jaak Mertens op een ‘Huldekaartje naar aanleiding van de 100ste verjaardag van de socialistische beweging’, uitgegeven in 1985.
(10) Michel Vermote in ‘Recht door zee, Bijdragen tot de geschiedenis van de socialistische arbeidersbeweging in het arrondissement Oostende - Veurne - Diksmuide’. 1990.
(11) De gazet van Oostende, 25.09.1936.
(12) Het Visscherijblad, 10 oktober 1936.
(13) Het Nieuw Visserijblad, 23.05.1947.
(14) Het Nieuw Visserijblad, 02.01.1948.


vrijdag 25 juli 2014

De politieke perssprokkels van aalmoezenier Dirk Demaeght

Dirk Demaeght: aalmoezenier of lobbyist?
In zijn blog (http://demaeght.skynetblogs.be) postte visserijaalmoezenier Dirk Demaeght onlangs een opvallend stuk onder de merkwaardige titel Perssprokkels uit het verleden, maar toch nog fris in het geheugen (1). Daarin doet hij iets wat hij anders in die blog nooit doet: hij herneemt een oud debat uit het visserijverleden, een debat betreffende een lang afgesloten hoofdstuk. In dat hoofdstuk werd er gepoogd om voor de Vlaamse kust, in open zee, mosselen te kweken.
Dat mosselexperiment is, zoals genoegzaam bekend, volledig mislukt. Dat is iets wat wel meer gebeurt, daarom heet het ook zo: experiment. Ook (en zeker) in de visserij vallen lange lijsten te maken van zo’n mislukkingen. Er valt ook veel populistische pret uit zo’n lijsten te halen. Hoeveel overheidsgeld heeft de Rederscentrale de jongste jaren naar zo’n mislukte experimenten weten af te leiden? En wat heeft dat uiteindelijk opgebracht? In termen van tewerkstelling bijvoorbeeld? Bij welke mislukte experimenten was de Vlaamse Visveiling in de voorbije twintig jaar betrokken? Welke kapitaalbezitters zijn daar beter van geworden en hoeveel geld heeft dat de belastingbetaler gekost?
Op het eerste gezicht lijkt de aalmoezenier inderdaad die populistische toer op te gaan. Maar ’t tweede gezicht openbaart iets anders. Dat stuk heet immers wel Perssprokkels, maar daar staan nauwelijks perssprokkels in. Demaeght haalt een interventie van oude koe J.M. Dedecker uit de sloot en plakt daar een ellenlang stuk aan van europoliticus Bart Staes. Dat zijn twee politici die het destijds op de Stichting Duurzame Visserijontwikkeling (SDVO) gemunt hadden. Er zouden er nog veel volgen, want velen voelden zich geroepen om datzelfde dossier keer op keer weer boven water te halen.
Al die tussenkomsten liepen op niets uit. Dat was ook voorspelbaar. Iedereen die de aantijgingen las en daar vervolgens de weerleggingen van SDVO naast legde, wist dat hier iets anders aan de hand moest zijn. Die weerleggingen zul je in de ‘perssprokkels’ van Demaeght evenwel niet vinden. Het waarom daarvan vindt u in een andere ‘perssprokkel’ die Demaeght evenmin in zijn blog zal opnemen. In het allerlaatste nummer van Het Visserijblad, gepubliceerd in december 2013, schreven we nog: ‘Vraag is dan ook waarom deze mosselboeien als ouwe koeien weer uit de gracht gehaald worden. Wellicht komt het omdat het mosseldossier een grote dosis verbergt van wat in het Frans ‘politique politicienne’ genoemd wordt: het heeft minder met mosselen dan met politieke machtsverhoudingen te maken. De werking van de SDVO wordt door de federale regering betaald met belastinggeld. Het is een regeling die destijds door federaal minister Vande Lanotte uitgewerkt werd. De SDVO is dan ook een soort anomalie in de nieuwe staatshuishouding, waar de bevoegdheid over de visserij in handen van de Vlaamse regering gelegd werd. Met andere woorden: rond SDVO wordt een terreinoorlog uitgevochten die minder met mossels te maken heeft dan wel met ‘Vlaams’ versus ‘federaal’. Er is meer. Vakbondsman Ivan Victor maakte van de interventie van de bevriende minister gebruik om zich een weg naar de sectortop te banen. In een sector waar de politieke dienst sinds jaar en dag door rechts uitgemaakt wordt, is het ‘bon ton’ om op de ‘linkse’ SDVO te schieten. SDVO in het algemeen en het mosseldossier in het bijzonder blijken dan ook een terrein te zijn waarop rechtse reders en even rechtse politici elkaar gemakkelijk weervinden.’ En ja, ook de aalmoezenier.
Na het liquideren van de functie van vrijzinnig moreel consulent (Patrick Van Craeynest) biedt zich nu een nieuwe kans aan om de visserij verder van ‘anderen’ te zuiveren. Nu de socialisten uit de regeringen geweerd zijn, openbaart de liquidatie van de SDVO zich als een open doelkans. Die kans zullen ze niet laten liggen, zo leert ons de blog van Demaeght. Eens ook die zaak geregeld is, kan de Vlaamse visserij weer, zoals voorheen, rimpelloos naar zijn eigen ondergang stromen… Deo volente, uiteraard, als God het wil.

Flor Vandekerckhove

dinsdag 1 juli 2014

Waarom je de Vlaamse Visveiling altijd moet wantrouwen

Eindelijk is het zover. Eindelijk beseft het Oostendse stadsbestuur dat het geen vertrouwen mag stellen in de woorden, plannen, ja zelfs de contracten die de NV Vlaamse Visveiling produceert. Het Visserijblad daarentegen heeft de lieden die deze vennootschap bevolken nooit vertrouwd. De redactie volgt het handelen en wandelen van deze kapitalisten al vanaf de start, in 1988, met bijzonder veel wantrouwen.
Voor journalisten is dat trouwens de enige goeie manier om naar de dingen te kijken: met bijzonder veel wantrouwen. Dat is wat ik geleerd heb terwijl ik me destijds, met veel vallen en opstaan, een weg door het journalistieke struikgewas aan 't banen was.

Begin 1988 had ik me op de Vlaamse visserijkaaien gepresenteerd als de man die het tijdschrift van de vissersgemeenschap in handen zou nemen. Ik leerde er al vlug de bonzen kennen en het voetvolk, de elite en de paria's, ik sprak met jan en alleman en bracht nauwgezet verslag uit van hetgeen ik zag en hoorde. En ik stootte op datgene waarover niemand sprak omdat 'iedereen' het erover eens was.  En op taboes. Dat waren er nogal wat: het circuit van zwarte vis, de positie van de aalmoezenier, de politiek van de patroonsorganisatie, de gang van zaken in de Zeebrugse Visveiling, seks aan boord van vissersvaartuigen, klachten van vissers over hun patroons, meningen die afweken van hetgeen de elite luidop zegde… Gaandeweg leerde ik bijgevolg dat je niet altijd mocht geloven wat men je vertelde. Later moest ik dat radicaler formuleren: je mocht nooit geloven wat men je vertelde.
Hoezo? Bestond de visserij dan uit een bende leugenaars? Onderscheidde de sector zich daarmee van de rest van het land? Of was het omgekeerd? Regeerde de leugen over heel de natie? En waren de onwaarheden van de visserijkaaien daar alleen maar een variante van? Dus begon ik in de beginjaren van mijn journalistieke engagement nauwlettend de politiek en het zakenleven te volgen. Ook buiten de visserij. Ik maakte er aantekeningen bij. Onlangs vond ik dat geannoteerde knipselmapje terug. Het zat vol vergeten gebeurtenissen die me gaandeweg één ding geleerd hadden: vertrouw hen niet! Ik besloot die knipsels en krabbels nog eens bijeen te harken en er dit essay aan te wijden.

We bevinden ons in het laatste decennium van de XXste eeuw. Al drie jaar geef ik Het Visserijblad uit, de kinderziekten zijn overwonnen en ik neem even de tijd om mijn blik op het binnenland te richten.
Ik neem je mee naar de Grote markt in Brussel. Het is 15 januari 1991.  Daar kuiert die dag ook de gevreesde Palestijnse activist Walid Khaled rond. Kuieren? Het is voor deze mens geen vrede, want dezelfde nacht beginnen de Amerikanen Bagdad te bombarderen. En de Palestijnen hebben hun zaak verbonden met die van Irak. Overal vreest men voor terroristische aanslagen.  Maar in Brussel mag deze activist vrij rondlopen.  Hij beschikt namelijk over een toeristenvisum uitgereikt door het ministerie van Buitenlandse zaken.  Meer zelfs: hij is hier op uitnodiging van datzelfde ministerie. Wanneer dat allemaal bekend geraakt vallen er grote woorden in het parlement: men eist het ontslag van Mark Eyskens, de verantwoordelijke minister.  Maar waarom zou ik ontslag nemen? zo verdedigt de man zich, ik ben van heel die visumkwestie niet op de hoogte. En Eyskens blijft zitten waar hij zit. De pers blijft de zaak uitspitten en komt tot de conclusie dat Eyskens wel degelijk nota’s ontvangen heeft waarin het visum uitgebreid ter sprake komt.  Weer redt de minister zijn vel. In een Nederlandse krant verklaart hij zelfs cynisch: ‘Mocht ik in de Britse regering hebben gezeten, dan was ik natuurlijk al lang opgestapt, maar we zijn hier in België.  Hier is de politiek een kippenhok.’ (1)  De regering doet erg haar best om de indruk te wekken dat het om een ‘slordigheid’ gaat: een foutje, maar niet erg genoeg om daar veel tamtam over te maken.

Dat het meer dan een slordigheidje is, komt de bevolking acht jaar later te weten. In een interview (2) onthult Eyskens voor het eerst dat de Palestijn eigenlijk een dubbelagent van de Franse geheime dienst is. Het visum is hem op verzoek van de Fransen toegekend, zegt Eyskens, ‘maar dat kon ik het publiek niet zeggen.’ Kan zijn. Maar hoe zit het op zo’n momenten eigenlijk met de democratie?  Wie controleert zo’n minister die in het grootste geheim zijn zaakjes fikst? Volgens Eyskens wordt dat op de canapé geregeld. In datzelfde interview zegt hij dat hij de leiders van de liberale oppositie bij zich heeft geroepen om hen op de hoogte te brengen van wat het publiek niet mocht weten. Dat blijkt eens te meer een leugentje te zijn. In De Morgen reageert toenmalig oppositieleider Guy Verhofstadt op de laattijdige biecht van de ex-minister: ‘Eyskens liegt! Nooit heeft hij me tijdens de woelige dagen in januari ’91 verteld dat Khaled een geheim agent van de Fransen was.’ (3)
Deze lange uitweiding leert ons alvast één ding: een journalist die zich wil informeren doet er goed aan niet te geloven wat de machthebbers zeggen. Zij liegen dat de brokken eraf vliegen.
Eyskens was geen alleenstaand geval, zo ondervond ik al vlug. De map waarop ik na mijn pensionering gestoten ben zit overvol knipsels die verwijzen naar leugens, halve waarheden en verzinsels die betrekking hebben op zo’n onderscheiden terreinen als daar zijn: de ontwikkelingssamenwerking van de toenmalige staatssecretaris Moreels; het verdraaien van erge feiten door de Franse ambtenarij; het gesjoemel met televisiebeelden tijdens de Golfoorlog; idem in het toen pas gedemocratiseerde Roemenië; leugens die verspreid werden door een Amerikaans P.R.-bureau dat betaald werd door de regering van Bosnië (!); de mediamanipulatie van de … Spice Girls; de Franse minister Charles Hernu die volhield dat de Franse Staat niets te maken had met de ontploffing aan boord van het vlaggenschip van Greenpeace, dat -- zo bleek uiteindelijk -- door de Franse geheime dienst opgeblazen werd. En wel in opdracht van dezelfde Hernu!  Verder vind ik daarin verwijzingen naar het Amerikaanse Watergate, Irangate en de vrouwenaffaire Monicagate… Allemaal voorbeelden die me lieten begrijpen dat het de machtigen der aarde veeleer om hun imago te doen was dan om de feiten; dat het eerder om het toedekken van affaires ging dan om het geven van informatie.  Over wat er echt gebeurde, daarover werd vooral gezwegen, zo zag ik. Dat gold voor de visserij, zo had ik al eerder ondervonden, maar dat gold blijkbaar evengoed voor de rest van de wereld.

Dat de pers door de elite gemanipuleerd wordt, daarvan is de RTBF-journalist Gérard de Selys al lang overtuigd.  Hij zegt onomwonden dat de voorlichtingsdienst van de Europese Unie een echte propaganda-afdeling is.  Hij wijst o.a. op het bestaan van een vademecum dat de EU-voorlichters bijbrengt dat elk perscommuniqué in principe tot doel heeft ‘ervoor te zorgen dat er een mededeling van de agentschappen, een krantenartikel, een bericht op radio of televisie komt dat gunstig is voor het door de Commissie ingenomen standpunt.’  (4)  Propaganda, inderdaad.
De nieuwe ontwikkeling inzake mediamanipulatie was in de jaren negentig de ‘spindoctor’. Vrij Nederland publiceerde een reportage over dat nieuwe verschijnsel dat intussen gemeengoed geworden is: ‘Overal duiken spindoctors op. Het zijn de nieuwe mediamanagers die nieuwsfeiten de wending moeten geven die hun opdrachtgever wenst.  Het zijn de mannen (…) achter presidenten, premiers en belangrijke politici. Het zijn de spindoctors die verslaggevers moeten inpakken en het nieuws moeten manipuleren.  Het liefst leggen ze journalisten uit wat ze moeten denken.’  Hoe gaan die doctors te werk?  Het systeempje klinkt elke journalist bekend in de oren: ‘Af en toe geef je een nieuwtje weg, liefst aan een van tevoren zorgvuldig geselecteerde journalist (…) Als er slecht nieuws is, probeert de spin doctor te voorkomen dat andere media het overnemen (spindoctor belt journalist die werkt aan een scoop: "Zet de goede naam van je krant en jezelf niet op het spel met deze canard").’ (5)
De Waalse Michel Bouffioux, is in die jaren journalist bij Télémoustique, Hij duidde het fenomeen als volgt: ‘De meeste onderzoeksjournalisten komen steeds met pseudo-onthullingen af.  Ik ken dat milieu goed. Hun onthullingen weerspiegelen de oorlogen tussen de verschillende clans in de kringen van de macht. Een parketmagistraat wil een onderzoeker onderuithalen?  Een lid van de gerechtelijke politie wil een rijkswachter te slim af zijn?  Zij laten "exclusieve" informatie lekken naar een journalist.  Zij gebruiken de journalisten.’ (6)

Dan hebben we het nog niet eens gehad over de manier waarop de economische elite in de bedrijven en sectoren met de media een loopje neemt.  Ze doet dit via PR-technieken, publiciteitscampagnes, lobbying, (scheef)gericht wetenschappelijk onderzoek… Soms is die ‘bedrijfsinformatie’ echt om te huilen. In het boek ‘De wereld als halve waarheid’ haalt de auteur het trieste voorbeeld aan van een ‘informatiecampagne’ van een sigarettenmerk dat zich erop liet voorstaan dat een groot percentage van de rokende artsen juist voor dit merk koos. Waarmee men blijkbaar wilde ‘bewijzen’ dat dit merk minder schadelijk was dan de andere! 
Wil dat nu zeggen dat er tegen al die manipulatie niets te ondernemen valt?  Veel journalisten blijken dat inderdaad te geloven. Of ze willen niet al te veel lezers, redacteurs, financiers, directeurs of adverteerders voor het hoofd stoten.  Of ze denken (veelal terecht) dat de ‘nieuwsconsument’ voor zijn lieve geld wel veel informatie wil, maar toch niet al te veel verontrustende informatie. 
En dan is er nog iets. Vaak hebben die journalisten goeie contacten met de elite, als ze er zelf al niet toe behoren.  Ze gaan eten met deze captain of industry, worden op de koffie uitgenodigd bij gene politicus, mogen die mannen ook te allen tijde telefoneren, krijgen nu en dan ‘primeurs’ toebedeeld.  Ze waken er bijgevolg over dat ze de elite te vriend houden.
De ene journalist neemt dan al vlugger dan de andere de vooroordelen van de elite over en zelfs het woordgebruik (wordt er in de pers bijvoorbeeld niet over de ‘loonlast’ gesproken, daar waar het loon voor de mensen die ervan moeten leven toch alles behalve een last is?) (7)  Ze hechten bijvoorbeeld meer belang aan het woord van een minister dan aan dat van een visser, meer aan dat van een patroon dan dat van een werkloze. Hetgeen eigenaardig is, want de visser weet dingen die de minister niet weet; evenzeer heeft de werkloze ervaringen te vertellen waarover de patroon niet kan spreken.
In het mapje dat me tot dit stuk geïnspireerd heeft zit een knipsel dat aantoont hoe de plaats die je in de maatschappij bekleedt (het milieu waaruit je afkomstig bent, de mensen waarmee je je ophoudt, de klasse waarmee je je vereenzelvigt) je oordeel kleurt. Op de radio, zo interpreteer ik een krabbel die ik in die map terugvind, had ik Paul Goossens blijkbaar erg neerbuigend horen spreken over de, toen nieuwe, Congolese leider Kabila.  Hoe iemand die kerel kon verdedigen, dat ontging deze vooraanstaande journalist helemaal. Kort daarna las ik dan weer in een plaatselijke krant het verhaal van de populaire Oostendse pater Nicolaas, alias Willy Devinck, die dat Afrikaanse land bezocht had: ‘Politiek gezien zat ik ver van Kinshasa, maar ik heb toch kunnen vaststellen dat Kabila een grote aanhang heeft, in alle lagen van de bevolking.  Ze geloven in hem en hopen dat hij na dertig jaar uitbuiting en destructie, het land kan redden.’ (8)  Vanwaar komt dat grote verschil in appreciatie?  Het antwoord is simpel.  Willy Devinck had blijkbaar de moeite gedaan om in Kongo met Jan-met-de-Pet te spreken, daar waar de heer Goossens zijn deskundig oor te luisteren legde bij hoge diplomaten, notoire politici en andere ‘welingelichte bronnen’ die… helemaal niet gerust waren in de plannen van de jonge Kabila.  Het waren hun standpunten die door de ‘serieuze’ journalist, als waren ze de zijne, naar buiten gebracht werden. Paul Goossens mag dan– wellicht in tegenstelling tot pater Nicolaas -- een linkse rakker zijn, hij komt wel uit een vooraanstaande burgerlijke, christelijke Vlaamse familie en is bevriend met menig hoogwaardigheidsbekleder. Met andere woorden, Goossens ìs van de elite. Daardoor komt het dat hij zo’n luizige journalistieke uitspraken doet.  Paul zou moeten weten dat een journalist geen vrienden in de elite heeft. (9)
Stuart Hall, professor in de culturele studies in Birmingham heeft dat probleem bestudeerd. Journalisten van het slag Goossens noemt hij ‘construeerders van de natie’.  Zij beslissen in feite wat wel en wat niet aanvaardbaar is in de samenleving.  Hall noemt die stilzwijgende overeenkomst de ‘ideologische consensus’.  De maatschappij wordt volgens dit model geformuleerd als waren er geen grote belangenconflicten tussen verschillende groepen en klassen (meer).  Journalisten maken deel uit van deze ‘algemeen aanvaarde situatie’ en formuleren er dus naar.  Zij schrijven en spreken dan ook voortdurend over ‘het algemeen belang’, zonder ooit nog maar een keer grondig na te gaan of zoiets wel bestaat. (10)

De hierboven bijeengesprokkelde voorbeelden kunnen veralgemeend worden.  Noam Chomsky beschikt over duizenden bladzijden documentatie die z’n conclusie ondersteunen.  De media dienen de belangen ‘van de staat en de grote bedrijven, die nauw met elkaar verbonden zijn. Ze stellen hun rapporten en analyses zo samen dat ze de gevestigde elite mee steunen waarbij ze debat en discussie beperken.’ (11) In hetzelfde boek legt hij ook uit dat het moeilijk is en veel geld kost om het hoofd te bieden aan de machthebbers, al is het maar omdat je steeds bijzonder goed gedocumenteerd moet zijn als je de top tegenspreekt.  De minste fout zal gebruikt worden om heel je bewijsvoering te ontkrachten.  Wie in de pas loopt heeft het daarentegen veel gemakkelijker.  Wie de begane paden volgt hoeft geen aanvallen te verwachten en kan zijn verhaal met minder kosten en moeite naar voor brengen. Het verschil tussen de twee benaderingen wordt door hem in sterke woorden benadrukt: ‘In elke situatie zien we dat conformisme de gemakkelijkste weg is. Het is ook de weg die leidt naar voorrechten en status.  Dissidenten moeten persoonlijke en soms zware offers brengen, zelfs in een maatschappij zonder doodseskaders, psychiatrische gevangenissen of vernielingskampen om controle uit te oefenen.’ 
Deze krasse taal is geen hersenspinsel van een dolgedraaide intellectueel.  Ik vind nog een knipsel in die lang vergeten map. Blijkt dat in dat laatste decennium van de XXste eeuw, in Frankrijk, nog twee boeken verboden worden. Beide zijn het werk van onderzoeksjournalisten.  Het eerste heet ‘La mafia des tribunaux de commerce’ (de maffia van de handelsrechtbanken) van Antoine Gaudino (uitgeverij Albin Michel).  Het tweede heet ‘Yann Piat, l’histoire secrète d’un assassinat’ (de verborgen geschiedenis van de moord op de ex-Front National afgevaardigde Yan Piat) van het journalistenduo Claude Ardid en Jacques-Marie Bourget (uitgegeven door Plon).  De twee vonnissen worden door de Franse uitgevers als zijnde ‘buiten alle verhouding’ omschreven. ‘Het is alsof een politieagent meteen een granaat zou afvuren op een voetganger die naast het zebrapad de straat oversteekt,’ luidt het commentaar van Jerôme Lindon, directeur van het prestigieuze Editions de Minuit. (12) In de twee gevallen hebben de rechters kolossale dwangsommen opgelegd per exemplaar waarin de gewraakte passages nog zouden worden aangetroffen. Beide vonnissen werden onmiddellijk uitvoerbaar verklaard, zodat de uitgevers geen kans kregen hun boeken tijdig uit de handel te nemen. Dezelfde dag nog gingen gerechtsdeurwaarders op pad en namen ieder exemplaar dat ze in de boekhandels vonden in beslag. De in het ’Syndicat National de l’ Edition’ verenigde Franse uitgevers zeggen dat het door de aard en de omvang van de uitgesproken straffen voor iedere uitgever een zelfmoordonderneming wordt om in de toekomst nog welk werk dan ook te publiceren waarin politieke of commerciële misdrijven worden onderzocht. De uitgevers spreken onomwonden over ‘censuur door het geld’. (13)
Zo gaat het er waarlijk aan toe in de naties. Op de visserijkaaien is dat niet anders. Je mag ze voor geen haar vertrouwen.
Flor Vandekerckhove

(1)  De Volkskrant, 9 februari 1991.
(2)  Het Laatste Nieuws, 18 april 1998.
(3)  De Morgen, 7 mei 1998.
(4)  Europa zoals het is, p. 17.
(5)  Vrij Nederland, 6 juni 1998.
(6)  Solidair, 10 juni 1998.
(7) Over de manier waarop woorden misbruikt worden door de intellectuele, politieke, technische en economische elite verscheen een interessante bijdrage in Le Monde Diplomatique van mei 1995.  ‘La dépolisation par la language, Ces mots qui font accepter l’inacceptable.’
(8)  De Zeewacht, 12 juni 1998.
(9)  ‘Connu de tous, familier de beaucoup, le journaliste ne peut, ne doit être l’ami d’aucun.’ (Pierre Viansson-Ponté geciteerd in Un temps de chien, p. 180).
(10) S.E. Hall (e.a.) Policing the crisis, London, 1978.
(11)  Gekoesterde illusies, p. 14.
(12)  Le Monde, 8 mei 1998.
(13)  De Morgen, 15 mei 1998.

zaterdag 14 juni 2014

Geschiedenis van het Oostendse vissersproletariaat




In 1836 telt Oostende 534 vissers, twee keer meer dan in Blankenberge. Derde is Nieuwpoort waar 100 vissers aan de bak komen. Naast de drie havens kent de Vlaamse kust nog talrijke kleine vissersgemeenschappen… zonder haven. Daar worden boten bij laag water op het strand gezet. 
De visserij inwikkelt stormachtig. Zijn er in 1836 iets meer dan duizend Vlaamse vissers, dan zijn dat er in 1885 bijna tweeduizend. De opgang is vooral zichtbaar in Oostende waar nu twaalfhonderd mannen regelmatig in zee trekken. Die Oostendenaars kunnen onderverdeeld worden in bootsjouwers die veelal met eenmansgarnaalbootjes in zee gaan of in het beste geval met een ‘schiptje’, in 'vissers-reders' annex hun familieleden die een eigen, groter schip uitbaten en tenslotte in een grote groep proletariërs, zij werken voor rederijen die meerdere zeilboten uitreden. 
De Oostendse visserij wordt een moderne industrie. Na het slopen van de stadsvestingen wordt in 1870-1785 een schuilhaven (Montgommerydok) gegraven. In 1879 komt de cirkelvormige vismijn (De Sierk) er. Stoomtreinen maken van Oostende het eindstation van spoorwegen die Europa doorkruisen, wat ervoor zorgt dat Oostende, ook voor buitenlandse vaartuigen een gedroomde aanlandingsplaats wordt. De Europese vraag naar verse vis groeit zienderogen. De toepassing van stoomenergie op vissersschepen en de ‘uitvinding’ van het ijs (1874) om vis te bewaren, maken de aanvoer van grote hoeveelheden niet gezouten vis mogelijk. Oostende wordt hèt moderne economisch visserijcentrum van België. 
De erbarmelijke levensomstandigheden van het Oostendse vissersproletariaat zijn vergelijkbaar met deze in industriële gebieden. Uit de volkstelling van 1865 blijkt dat men in het visserskwartier soms met meer dan 100 mensen in één huis woont. Voor sommige komt dit neer op het verbazingwekkende getal van 12 mensen in één kamer. De Oostendse volkskundige Omer Vilain drukt het plastisch uit: ‘In deze éne kamer moest men pogen te leven.  Men kookte, at, dronk en paarde in die enkele vierkante meters.’ Jef Klausing vult die cijfers aan: 
‘In 1885 bedroeg de gemiddelde besomming van een zeilschip 12.300 frank per jaar.  De visser kreeg daarvan 867 frank.  Maar in 1887 haalde een zeilschip nog maar nauwelijks 11.127 frank, waarvan de visser er 744 toegeworpen kreeg. Maar die visser had natuurlijk ook nog beroepskosten. Zo’n zeilschip ging gemiddeld dertig keer in zee. De panger kostte aan de visser al 8,20 frank per reis. Voor zijn voedsel aan boord betaalde hij dus al meer dan 240 frank per jaar. Kosten voor werkkledij (oliegoed, laarzen) mag je op 140 frank per jaar schatten. De visser verdiende dus gemiddeld netto 364 frank per jaar. Een liter melk kostte toen 20 centiem, een kilo brood betaalde je 32 centiem, goedkoop vlees was 1 frank per kilo waard, kolen kostten 2,5 frank per kilo en de huur van één kamer bedroeg 12 frank per maand.’  

Voor elke dag dat hij in zee trok had de visser één frank over. Met die frank kon hij het huurgeld van één kamer betalen, één liter melk kopen en één brood… en het was op.

Het zijn zo’n omstandigheden die de Vissersopstand van 1887 veroorzaken, een uitbarsting in bloed gesmoord. Aanleiding: Britten en Fransen die de Oostendse vismijn met vis overspoelen en de marktprijs drukken, terwijl de zeilschepen maar weinig vangen. Oorzaak: de erbarmelijke sociale omstandigheden. De opstand mag dan uitgelokt zijn door reders die het volk voor hun viskar spannen, de oorzaak ligt wel degelijk in de Oostendse ‘garren’, waar het proletariaat samenhokt. De Vissersopstand is ook geen uniek feit. Elders breken vergelijkbare revoltes uit. Het zijn chaotische gebeurtenissen waarover Emile Vandervelde schrijft dat het uitingen zijn van hopelozen die het beu zijn ‘langzaam te moeten sterven’. 

Buiten de stadsmuren is er een ander vissersvolk in de weer. Ook ten westen van Oostende, op het einde van de Belgische kustlijn, werkt men zich te pletter. In 1903 zetten ze in De Panne evenveel vis op het strand af als de vissers van Blankenberge, Heist, Oostduinkerke en Nieuwpoort samen! Genoeg bedrijvigheid om plannen voor de aanleg van een vissershaven te maken. Dat die er niet komt, is van doorslaggevende betekenis voor de Oostendse visserij. In De Panne worden het sleuren beu, een na een zakken de Pannenaars naar Oostende af. Ze worden er de leveranciers van fijne vis. 

Die Pannenaars zijn dragers van een andere cultuur. Uit een boekwerkje van 1895:

‘Twee groepen onderscheiden zich, twee soorten mensen: de Oostendenaar en de visser van De Panne.  Even sterk als de eerste naar voor treedt als iemand uit de achterbuurten, ongedisciplineerd, wispelturig en levend in beklagenswaardige omstandigheden, even sterk profileert de tweede zich als regelmatig, intelligent, verstandig, in afzondering levend in zijn kraaknette, goed onderhouden hut; en het zou een misdaad zijn om dit hoogstaande morele voorbeeld niet te beschermen en te propageren als een voorbeeld en een model… In tegenstelling tot de Oostendenaars die van cabaret houden, van jenever en van danszalen, leven de vissers van De Panne een kalmer, regelmatiger, eenzamer en rustiger bestaan.’

In Oostende ontwikkelen zich drie visserijen naast elkaar. Ten eerste zijn er de bootsjouwers. Daarnaast reden naamloze vennootschappen vele stoomvaartuigen uit. Zij duwen de grote zeilsloepen uit de visserij weg. De Pannenaars passen zich wonderwel aan, ze reden kleinere eenmastsloepen uit waarmee ze fijne vis op de markt zetten. Ze slagen erin om hun zeilsloepen te moderniseren: eerst door een hulpstoommotor te plaatsen, later een hulpontploffingmotor, nog later een ontploffingvoortstuwingmotor. 
De crisis van 1929 maakt duidelijk dat de Oostendse stoomtreilervloot een reus op lemen voeten is.  Die crisis brengt alle grote rederijen ten val, met uitzondering van de Pêcheries à Vapeur en de Oostendsche Reederij . Dit schept een nieuw kansje voor de motorvisserij waarvan de overwegend familiale exploitatie een zuiniger uitbating toelaat (de gierigheid van de Pannenaars is in Oostende legendarisch).
Wanneer de scheepsbouw in 1935 hernomen wordt, glijdt er een type stalen motortreiler van de werfhelling, dat zich zowel door afmetingen, kracht van de motor, als door de moderne vorm en opvatting onderscheidt. En nadat de zeeën (niet voor het eerst trouwens) tekenen van uitputting tonen, gaan deze motortreilers van 400 pk, richting IJsland, de resterende stoomtreilers achterna. Eerst aarzelend, en alleen in de lente en de zomer, dan steeds stoutmoediger tot tenslotte deze visserij praktisch heel het jaar door bedreven wordt door eenheden van deze scheepsklasse. Marcel Poppe zegt dat ze worden gevolgd door nog kleinere schepen: eenheden van 350 pk, van 300 pk, zelfs enkele middenslagtreilers van 240 pk wagen het een enkele keer in de zomer, met catastrofale gevolgen overigens. Tenslotte is het geen zeldzaamheid meer in één week 10 à 12 IJslanders, groot en klein, in Oostende te zien markten, waarvan de meerderheid motorschepen van minder dan 400 pk.
Na de Tweede Wereldoorlog ondernemen de grote rederijen nog een overlevingspoging door een aantal ‘oliebranders’ (stoomtreilers die gevoed worden met olie in plaats van kolen) in de vaart te brengen. Het mag niet baten: het tijdperk van de stoom ligt definitief achter ons.  Wanneer de NV Oostendsche Reederij er in 1951 het bijltje bij neerlegt, wordt de Vlaamse visserij al geleid door de familiale onderneming waarin op zijn Pannes gewerkt wordt. Het Oostendse proletariaat heeft, tegelijk met de grote kapitalistische rederijen, opgehouden te bestaan. Velen zeggen de visserij na WO II vaarwel.  Zij gaan aan de slag in de bouw, op de ferryboten, in staatsdienst aan het loodswezen, overal komt men handen te kort om het land weer op te bouwen. De uittocht is massaal, want het tekort aan mankracht wordt op zo groot dat zelfs in de gevangenis opgesloten vissers ingeschakeld worden om mee naar IJsland te varen. Zij komen onder bewaking aan boord, worden in volle zee uit de kajuit gelaten en zien bij hun thuiskomst de gendarmen alweer zwaaien.

Flor Vandekerckhove


[Ik postte dit stukje al in 2014. Eerder stond het in Het Visserijblad. Ik redigeerde het in 2021 en kortte het fel in, ten behoeve van de FB-groep Oostendse verhalen.]


Boef 

www.youtube.com/watch?v=_FlkbaVwcBU