dinsdag 2 juni 2015

Robert Deckmyn en het communistische propagandascheepje

In 1939 kregen de jonge vissers Robert en Gerard Deckmyn de kans een eigen schip uit te reden. Voor dat schip hoefden ze niets te betalen. Het geld werd hun geschonken door een Franse communist. In ruil moesten schip en bemanning zich inschakelen in de communistische propaganda. De Deckmyns hapten toe en werden zodoende toch wel zeer speciale reders ter zeevisserij. Ik interviewde Robert Deckmyn in november 1999. Het stuk verscheen in Het Visserijblad van 3 december 1999. Dat blad heb ik een kwarteeuw lang uitgegeven en in die tijd heb ik tientallen vissers bevraagd, maar het interview met Deckmyn was ongetwijfeld het meest merkwaardige dat ik ooit afgenomen heb. In de versie die u hier leest werden slechts enkele details veranderd. De tussentitels werden verwijderd.

Robert Deckmyn draagt zijn zoon
Pascal. Madeleine en Gerard kijken
toe.
Dit haast ongelooflijke, maar echt gebeurde verhaal start in 1939.  Robert Deckmyn (° 11 november 1914 – † 13 december 2004) vaart op de ‘grote ijzeren vaartuigen’, de zogenaamde visbakken, van de NV Motorvisserij (van de bekende redersfamilie Decrop) naar Spanje en de Witte Bank.  Eerder had hij voor de zogenaamde Pannenaars gevaren. Pannenaars waren kleine scheepseigenaars die vanuit de omgeving van het havenloze De Panne naar Oostende afgezakt kwamen om in die havenstad kleine houten motorschepen uit te reden.  Deckmyn: ‘Op de visbakken die naar IJsland voeren, heb ik nooit gestaan. Ik was echt een man van de kleine visserij, een echte bootsjouwer. (*)  Maar in 1939 waren er slechte marktprijzen in Oostende, onzekere inkomsten.  Dus koos ik voor vaart op grotere schepen die, om die slechte marktsituatie te ontwijken, hun vangst soms in Engeland gingen verkopen tegen vaste prijzen.  Voor de rest was ik een gewone jongen, een visser zonder kapitaal. Vader, ook visser, was op z’n tweeënveertigste verlamd geworden, dus moesten de kinderen hard werken.  Langs moeders kant kwam ik uit een familie van kleine reder-schippers.  Mijn grootvader reedde de O.5 uit, waarmee de familie in het begin van de Eerste Wereldoorlog naar Frankrijk had kunnen vluchten.  Het is overigens tijdens die vlucht dat ik in Calais ben geboren.  Maar we zouden het over de Tweede Wereldoorlog hebben.’
De jonge Robert Deckmyn is een visser zonder kapitaal. Hij is dan ook zeer verwonderd als zijn neef Gerard (†1988) hem vraagt of hij geïnteresseerd is om samen met hem een schip uit te reden: ‘Gerard — de witten — was echt wel een bijzondere mens. In 1935 had hij zich bij de Belgische Communistische Partij aangesloten. Hij stelde zich erg militant op en voor de oorlog had hij al op de kandidatenlijst van die partij gestaan.  Hij was dus een bekende Oostendse communist.  Goed.  Hij vraagt me dus op ik geïnteresseerd ben om samen met hem een schip uit te reden en in een adem voegt hij eraan toe dat ik daarvoor geen geld nodig heb. Het schip dat we zouden aankopen was er eentje dat de communisten zouden betalen en op onze naam zetten.  Waarom?  Frankrijk, Engeland en Duitsland waren in 1939 al in oorlog. De communisten beschouwden dat op dat moment als een oorlog tussen kapitalistische staten waar de arbeiders geen zaken mee hadden. Uiteraard had die houding alles te maken met het niet-aanvalspact dat de USSR en Duitsland getekend hadden.  En als de arbeiders er niets mee te maken hadden, dan moesten ze er ook niet in meevechten, zo was de redenering. Dus wilden de communisten in Frankrijk de arbeiders oproepen om de wapens neer te leggen. En omdat Frankrijk in oorlog was, was het uiteraard veiliger om de pamfletten in België te laten drukken. Gerard en ik zouden het materiaal dan met ons scheepje over de Franse grens smokkelen.’
— Gerard Deckmyn. —
Robert ziet dat avontuur wel zitten en hij ziet vooral zitten dat hij op die manier een eigen scheepje verwerft. In afwachting wordt hij alvast lid van de partij.  Hij komt terecht in een militante kern van vier bootsjouwers die zich in een partijcel georganiseerd hebben. Naast zijn kozijn Gerard treft hij daar de Oostendse vissers Edouard Pieters en Richard Remaut aan. ‘Wij waren gevieren bij de CP en hielden onze geheime vergaderingen op het strand.  Waar wij onder ons heel de visserij reorganiseerden.  We zouden de sector nationaliseren en elke visser zou in de toekomst met mooi onderhouden staatsscheepjes ter visserij trekken.  De Oostendse Visserskaai zou gerenoveerd worden en op die kaai zou veel plaats ingeruimd worden voor huisjes voorbehouden aan de vissers.  Maar voor de rest deden we niet veel aan politiek.  De andere vissers waren wel feestelijk gerust in onze ideeën. De bootjessjouwers zagen die nationalisatie van hun schepen uiteraard niet zitten en het vissersproletariaat op de visbakken bereikten we niet, die mensen waren daarvoor niet genoeg in politiek geïnteresseerd.  Als Gerard — de enige van de vier die wel in het openbaar over politiek sprak — een café binnenkwam zegden de klanten al van verre: “Godver, dien ertefreter is daar weer”.’
Maar hoe zat dat ook weer met die pamfletten?  ‘Op een dag komt er een Fransman naar ons toe, een man van de Franse Communistische Partij, maar wij spraken geen Frans, dus moest ik mijn echtgenote Louise erbij halen om te vertalen wat er aan de hand was.  Hij zei: je mag het schip hebben, maar je moet er wel pamfletten mee naar Frankrijk brengen.  En voor ons was dat goed.  We werden op die manier dus ingeschakeld in een  internationaal communistisch netwerk.  Louise moest zelfs waterdichte zakken naaien zodat we de pamfletten desgevallend overboord konden gooien als er controle opdaagde om ze nadien weer droog en onbeschadigd uit het water te vissen. Ongevaarlijk was het allemaal niet, want we moesten oorlogsgebied invaren, volgeladen met materiaal waarin wij de mensen opriepen om te deserteren.  Als we betrapt zouden worden dan stonden ons erge straffen te wachten, misschien zelfs de doodstraf.’
Robert Deckmyn in 1948.
Gerard en Robert verwierven er toch maar een eigen schip mee.  ‘Dat schip werd de 0.6 ‘Madeleine-Louise (**), zo genoemd naar onze beider echtgenoten.  In afwachting dat de pamfletten zouden komen, gingen Gerard en ik er alvast mee in zee om er op vis en op garnaal te jagen.  Aan boord kreeg ik heel de tijd door politieke vorming van Gerard.  Hij was er heilig van overtuigd dat de arbeiders de wapens zouden neerleggen en dat ze in een en dezelfde beweging de macht zouden grijpen.  Want de mensen waren nu, zo zei hij, niet meer zo dom om, zoals in ‘14-’18, aan een oorlog mee te doen waarin hen niets dan ellende te wachten stond.  Neen, ze waren nu beter opgeleid en er was vooral de U.S.S.R. die hen als baken en voorbeeld diende. Neen, het socialisme was echt iets voor zeer binnenkort.’  En toen barstte ook in België de oorlog los:  ‘Gerard was formeel: nu komt de revolutie, want het volk is ontevreden, de werkloosheid is groot enzovoort.  Er was voor ons dan ook geen sprake van dat we zouden vluchten.  Héél de vissersgemeenschap vluchtte naar Engeland maar wij niet, wij bleven hier op post om te wachten op de opstand van de arbeiders… die maar niet kwam, zodat we uiteindelijk toch hals over kop naar Frankrijk moesten vluchten.  En neen, de O 6 had geen enkel pamflet moeten smokkelen, ook al omdat de oorlog bliksemsnel om zich heen greep.’
In 1940 komen De Deckmyns alweer naar Oostende terug.  Hun scheepje zijn ze in Frankrijk aan de Duitsers kwijtgeraakt.  Robert en Gerard gaan voor hun dagelijkse bete brood bij de bezetter werken. Van enige communistische partijwerking is nauwelijks sprake.  Maar op een dag komt Bob Dubois in Oostende spreken.  Hij is de man die de partij in oorlogstijd weer op de rails moet zetten.  Hij vertelt de leden over het niet-aanvalspact tussen Hitler en Stalin, een overeenkomst waarmee de basisactivisten (voor de oorlog gepokt en gemazeld in het antifascisme) het zeer moeilijk hebben.  Gisteren was nazi-Duitsland de gevaarlijkste vijand en vandaag zou de Franse staat plots even slecht zijn als de Duitse?!  Dubois moet het voetvolk ervan overtuigen dat Stalin heel goed weet wat hij aan ’t doen is.
Robert Deckmyn, in de
jaren negentig.
Intussen woedt de oorlog.  Het niet-aanvalspact tussen Duitsland en de USSR blijkt een papier te zijn dat de Duitse legers niet belet zingend de Russische grens over te steken. Ook bereidt het gulzige Duitsland zijn inval in Engeland voor.  Bommen op Oostende!  Dus vlucht de familie Deckmyn naar het binnenland.  Eerst gaat Roberts zuster Esther met d’r echtgenoot Oscar Vanhee, daarna volgt de rest van de Deckmynclan.  In het landelijke Hansbeke blijft de familie het contact met organisator Bob Dubois behouden.  De man duikt zelfs onder bij de Deckmyns. Daar houdt Dubois nu heel andere speeches. Sinds de Duitsers Rusland binnengetrokken zijn, is de oorlog opeens weer een zaak van al de arbeiders ter wereld geworden.  Dubois organiseert nu het communistische verzet en hij doet dat goed, want de Duitsers loven een bedrag van 500.000 frank uit voor wie de man verklikt.
Diezelfde Dubois geeft nu aan Robert in Hansbeke de opdracht om door het ‘Sperrgebiet’ materiaal naar Oostende te smokkelen.  Deckmyn: ‘Dat waren pamfletten waarin opgeroepen werd daden van verzet te plegen. Dat ging van passief verzet (alleen maar werken wanneer de Duitsers toekeken, en niets doen van zodra ze hun rug gekeerd hadden), tot sabotage.’  Aan die pamflettensmokkel hangt een anekdote vast.  ‘In Oostende had ik bij de Duitsers een buitgemaakte Engelse battle dress gestolen en voor ik met die pamfletten vertrok, schilderde Louise die in ‘t zwart omdat je toch niet in de kleuren van het Engelse leger door bezet gebied kon reizen, zeker niet met een pak pamfletten tegen diezelfde bezetter onder je arm. Ik had daar niet zo meteen aan gedacht, maar in die zwarte Battle dress en met mijn schipperspet op zag ik eruit als iemand van de Zwarte Brigade, de organisatie van de collaborateurs.  Zo komt het dat ik, zonder dat ik goed besefte hoe dat kwam, gemakkelijk in Oostende geraakte.’  Hij doet dat drie keer.  En wordt door de controlerende Duitsers uitdrukkelijk ongemoeid gelaten, zelfs kameraadschappelijk gesalueerd.
Hoe zat het inmiddels met het scheepje dat in Frankrijk door de bezetter opgeëist was? Robert zag het onverwacht opdagen in Oostende en hij ging het prompt terugeisen bij de Duitse marine.  Hij ving bot, maar Gerard en Robert kregen nu wel 10 mark per maand voor het gebruik van hun schip.  In 1941 had de bezetter het scheepje niet meer nodig.  De Deckmyns mochten hun vaartuig weer komen halen.  Was het de bedoeling om het uiteindelijk de bestemming te geven waarvoor het oorspronkelijk zou dienen? ‘Gerard had nu toch ook wel schrik gekregen — en met reden! — en verder stond de partijwerking in Oostende op een zeer laag pitje.’  Robert zelf had op een partijvergadering trouwens ook al het verwijt gekregen dat hij eigenlijk maar een lauwe revolutionair was. In elk geval was het politieke vuur bij beide vissers flink gekoeld, ook omdat het Duitse leger oppermachtig leek. Er werd wel gevist. ‘Dat vissen gebeurde in konvooien van een tiental vissersschepen.  Daarbij was telkens een schip dat Duitse soldaten aan boord had, of gewapende collaborateurs, kwestie van de boel een beetje in het oog te houden. Enorm veel vissers waren gevlucht naar Engeland, er waren handen te kort in de visserij. Dus ging iedereen mee in zee: coiffeurs, timmerlui, winkeliers… echt iedereen kwam in de visserij terecht.  In ‘t najaar ging dat richting Frankrijk, tot voor Grevelingen omdat daar enorm veel haring zat.’
In 1942 verhuisden de Deckmyns weer uit Hansbeke naar Oostende, want ze hadden hun scheepje terug.  ‘De verhuizing werd gedaan door onze vriend Laurent Van Iseghem, een Duitsgezinde, die ons met zijn auto kwam halen. Zonder dat Laurent ‘t wist verstopte Dubois wel tienduizend pamfletten in ‘s mans auto. Maar zoals gezegd: Gerard had intussen de schrik te pakken. En niet zonder reden.  Hij had al contacten met joden gehad en had over de kampen gehoord, oorden waar je maar beter uit weg kon blijven. Verder had hij al van de zwarthemden aan boord van de konvooien gehoord dat als het van hen afhing hij al aan ‘t einde van zijn leven zou gekomen zijn, want zij kenden hem en z’n politieke voorkeuren al van voor de oorlog.  Hij had dus groot gelijk om schrik te hebben. Het resultaat was dat hij in Oostende al die pamfletten, die wij uit het binnenland gesmokkeld hadden, vlug in de kachel verbrandde.’
In Oostende werd inmiddels ook wel het verzet op punt gezet.  ‘Men zegde dat het verzet aan de kust het Onafhankelijkheidsfront was, en onder leiding van de communisten stond, maar erg duidelijk was dat allemaal niet, want er werden natuurlijk geen lidkaarten verdeeld. Het was allemaal geheim en niemand wilde daar ook meer over weten dan strikt noodzakelijk was, want hoe meer je wist hoe gevaarlijker het was. Tegelijk moet ik zeggen dat het eigenlijk ook niet veel om het lijf had.  We kwamen samen en we praatten, net zoals we dat voor de oorlog gedaan hadden.  Naarmate de oorlog vorderde en het tij keerde werden veel Oostendenaars weer naar het binnenland gestuurd.  Daaronder bevonden zich ook veel vissers, want de Duitsers betrouwden de vissers niet. Zeker niet deze van het type Gerard. De Engelsen waren immers op komst en de Engelsen, dat waren ook veel Vlaamse vissers die gevlucht waren en waarmee de thuisblijvers al te graag zouden verbroederen.  Gerard en ik werden dus verzocht onze biezen te pakken.’  Dus trokken de Deckmyns weer landinwaarts, deze keer naar Knesselare.  Hun scheepje namen ze nu via de binnenwateren met zich mee.
Gerard Deckmyn en Madeleine tijdens de
oorlogsjaren, in Gansbeke.
Visser Remaut was intussen een volwaardig partizaan geworden.  Hij deed wel degelijk meer dan praten. Hij was betrokken bij een kern van communisten in Kortijk waarvan de alomtegenwoordige Bob Dubois het kopstuk was.  Daar werd beraadslaagd over echte sabotagedaden.  Zo was er die vergadering waarop men zou beslissen hoe en wanneer een Duitse legertrein zou ontsporen. Op weg naar die vergadering ziet Remout in de omgeving verdacht veel soldaten. Hij kiest het zekere voor het onzekere en beslist om niet naar het vergaderlokaal te gaan. Goeie beslissing, want heel de groep werd in het lokaal door de Duitsers ingerekend. Remaut ontsnapt op het nippertje. 
Maar de bezetter zal het nu niet lang meer uitzingen.  Gerard Deckmyn krijgt er weer moed in en verlaat het landelijke Knesselare om mee te werken aan de bevrijding van Oostende. Robert daarentegen blijft in ‘t binnenland ‘om op de vrouwen te passen’.  Kort nadien wordt Oostende door de Canadezen bevrijd. ‘We schrokken toch wel toen we vervolgens zagen hoe Gerard op een moto Knesselare binnengereden kwam. Hij had een Duitse soldaat bij zich die hij krijgsgevangen gemaakt had. Roekeloze daad was dat, want de Duitsers waren nog maar net uit het dorp vertrokken.’
Na de oorlog kent de Communistische Partij een korte periode van grote bloei.  Het roemrijke Sovjetleger dat de Duitsers verslaan heeft zorgt mee voor die populariteit.  In de eerste naoorlogse verkiezingen halen de Belgische communisten veel stemmen, ze tellen nu een pak volksvertegenwoordigers en ze zetelen mee in de regering, waar een communist minister van bevoorrading wordt.  De partij kan nu voor het eerst echt bovengronds gaan functioneren. Gedaan met de geheime vergaderingen op het strand!  Er wordt bijeengekomen in een publiek lokaal dat in de oorlog de vergaderingen van de collaborateurs en dat de communisten bij de bevrijding in beslag nemen.  (En dat later de Liberty wordt, het lokaal van de liberalen.) De Deckmyns zijn weer letterlijk en figuurlijk van de partij.  Dat blijkt ook uit de kandidatenlijsten van de eerste naoorlogse verkiezingen. Op de lijst van de Communistische Partij vinden we Louise Deckmyn (echtgenote van Robert), Madeleine Deckmyn (echtgenote van Gerard) en Esther Vanhee-Deckmyn (echtgenote van Oscar Vanhee).  Het waren blijkbaar de vrouwen van de bootsjouwers die het publieke werk op zich moesten nemen, want het waren ook de vrouwen die op zondag met het partijblad De Rode Vaan gingen colporteren. Dat colporteren heeft Louise nog tot diep in de jaren vijftig gedaan.
Naast onze vier bootsjouwers en hun echtgenoten waren er uit de Oostendse vissersgemeenschap nog die zich ter linkerzijde lieten opmerken: ‘In de Oostendse CP had je dan ook nog de moeder van Edouard Pieters, een garnaalverkoopster die ‘struftje’ genoemd werd, zij was een hevig militant partijlid en dan waren er ook nog Bert Eyland en zijn zoons die in de Oostendse vismijn werkten.’ 
Hebben Robert en Gerard in die oorlog hun leven gewaagd? Wel zeker, en het gevaar kwam soms uit eigen rangen: ‘Na de oorlog vernamen wij van onze collega en partizaan Remaut iets verschrikkelijks. Hij zei dat hij van de partizanen op een bepaald moment opdracht gekregen had om in onze O.6 een bom te plaatsen die op zee zou ontploffen. Sommigen namen het ons blijkbaar kwalijk dat wij met Duitse soldaten aan boord uitgevaren waren. Maar wij konden daar niets aan doen. Dat was gewoon de beurtrol en elk vissersschip uit het konvooi moest beurtelings de rol van wachtschip op zich nemen.  Het zat een aantal partijleden misschien wel dwars dat wij in de oorlog goed ons brood verdienden met de O.6, die ons uiteindelijk voor ander doeleinden in handen gekomen was, en dat terwijl anderen het in de oorlog toch zeer moeilijk hadden. Maar het is niet dat wij daar geen oog voor hadden. Wij gaven wel geld om onderduikers te helpen, maar een aantal anderen zegden dan waarschijnlijk tegelijk: waar halen die vissers eigenlijk al dat geld vandaan.  Maar goed, Remaut had dus die opdracht gekregen en na de oorlog zei hij me dat ook.  Hij zij “Ik heb dat niet over mijn hart kunnen krijgen, je moet je vrienden niet kapot maken”.  Die bekentenis was voor Gerard trouwens de reden om zijn partijactiviteiten te stoppen. Begrijpelijk is dat wel voor iemand die zo erg in de goeie zaak geloofd had. Zelf had ik daar niet zo’n last van, maar ik was dan ook nooit zo’n vurig militant geweest.  Lid van de Communistische Partij ben ik gebleven tot in de jaren tachtig en ik ben nog veel naar de jaarlijkse feesten van de Rode Vaan in Brussel geweest.’
Robert Deckmyn en Louise, jaren vijftig.
Robert Deckmyn doet er luchthartig over, maar toch was het ook na de oorlog niet evident om te sympathiseren met deze partij.  Dat ondervonden bijvoorbeeld Oscar Vanhee en echtgenote Esther Deckmyn die op een bepaald ogenblik wilden uitwijken naar de kolonie, maar daarvoor, omwille van hun vermeende politieke overtuiging, geen toelating kregen. Dat ondervond ook hun zoon Jan Vanhee die tijdens zijn legerdienst als matroos aan boord van een Belgisch marineschip De U.S.A. niet binnenmocht. Reden: zijn moeder had destijds op de kandidatenlijst van de Communistische Partij gestaan! 
En hoe is het verder met de O.6 gegaan, het scheepje dat bestemd was om ingeschakeld te worden in de partijpropaganda, maar daar nooit de kans toe kreeg?  Deckmyn: ‘In 1944 verkochten we het schip aan Pros Vandenberghe (***) die het doorsluisde naar een Zeebrugse reder. In 1970 heb ik onze oude O.6 voor het laatst gezien.  Het lag toen in Nieuwpoort waar men er een pleziervaartuig van gemaakt had.’  De O.6 heeft Robert Deckmyn hoe dan ook geen windeieren gelegd, want na de verkoop laat hij prompt een nieuw schip bouwen, de O.61 die hij in 1950 voor de O.51 inwisselt.  In 1960 vervangt hij deze op zijn beurt door de O.79. In 1960 is Robert 55 en houdt hij het in de visserij voor bekeken. Zoals zoveel Oostendse vissers rondt hij zijn zeemanscarrière af als matroos op de ferryboten van de RMT (Regie voor Maritiem Transport).
Deckmyn rondt het gesprek af met een anekdote: ‘Na de warme strijd van WO II volgde al gauw de koude oorlog tussen de USA en de Sovjet-Unie. Een van de breukpunten daarin was de blokkade van Berlijn.  De mensen waren toen erg bang. Ze zagen een derde wereldoorlog op zich afkomen.  Het was in die dagen dat Pros Vandenberghe me bij zich riep.  Daar bevonden zich toen ook twee rijke Walen, waarschijnlijk fabrieksdirecteurs.  Zij zegden me dat ze de 0.61 wilden kopen voor het geval dat er weer een oorlog uitbrak.  Dit keer moest het schip niet volgestouwd worden met propagandamateriaal, maar met proviand.  Het moest verder gewoon aan de kaai blijven liggen zodat die mensen onmiddellijk op de vlucht konden slaan zodra het Rode leger alhier  de grens overtrok.  Zo gezegd, zo gedaan.  Die Walen kochten het schip en bleven ermee zitten, want gelukkig is die oorlog er nooit gekomen.’
Flor Vandekerckhove

(*)  De term bootsjouwer vindt zijn oorsprong in het verleden van kleine garnaalsloepen die, omdat ze onder zeil voeren, naar hun plek in de haven moesten getrokken [gesjouwd] worden. De vissers die vandaag hun kleine kustvissersvaartuigen tegen de Oostendse Visserskaai aanmeren en hun waar aan de beroemde Oostendse Vistrap verkopen, dragen nog altijd die historische naam.
(**)  De O 6 Madeleine Louise (voordien N 6) werd in 1937 op de Oostendse werf Hillebrandt gebouwd.  Motor Claeys 30 pk, NT: 0,67, BT: 9,59.
(***) Pros Vandenberghe was een bekende voorman in de visserij: stichter van Het Visserijblad en leidinggevend in tal van visserijgebonden ondernemingen en verenigingen.

maandag 4 mei 2015

De slachtoffers van de Oostendse vissersopstand van 1887

Vorige maand publiceerde ik een gedetailleerde opsomming van de gebeurtenissen die de geschiedenis ingegaan zijn als De Oostendse vissersopstand (1887). Vandaag memoreren we de slachtoffers.
Doden
- Charles ‘Garsong’ Wauters. 25 jaar, visser, woonde op de Visserskaai, door een kogel van de Burgerwacht, getroffen in de schedel, midden in het voorhoofd. Onmiddellijk overleden op 24 augustus.  Zijn vader, voor wie hij de enige kostwinner was, leeft voort in de grootst ellende.
- Jean Verhulst. 37 jaar, visser, woonde in de Schippersstraat, wonde in de mond, getroffen door een karabijnkogel die zijn rug weer uit kwam. Hij laat een weduwe en vier minderjarige kinderen na. Onmiddellijk gestorven op 24 augustus.
- Paul Everaert. Woonde in de Stockholmstraat 27. Ongehuwd.  Sterft op 31 augustus. Bij de autopsie wordt een karabijnkogel gevonden, afgevuurd door de Burgerwacht.  Zijn ouders hebben nog vijf kinderen ten laste. Hij was de kostwinner.
- Jean Dewaeyer. 27 jaar. Woonde in de Schipperstraat. Hij werd in de linkerborst getroffen door een kogel die de Rijkswacht op 23 augustus afgevuurd had in de vismijn. Sterft op 10 september. Op zijn sterfbed huwt hij zijn partner die achterblijft met een kind en bovendien in verwachting is van hun tweede.
- Edouard Corneillie. 42 jaar, arbeider, woonde te Bredene. Sterft op 25 augustus.  Hij kreeg een kogel in de maag.  Hij had met de gebeurtenissen niets te maken; was naar Oostende gekomen om daar werk te zoeken.  Hij laat een weduwe na en negen minderjarige kinderen die voortleven in de grootste ellende.
Gekwetsten
- François Haeghers. 42 jaar. Peerder van beroep. Woonde in de Vissersstraat. Gehuwd, vader van acht kinderen. Op 23 augustus gewond aan het hoofd door de sabelslag van een politieagent.
- Jacques Allaert. Woonde in de Cadzandstraat 15. Gehuwd en vader van een kind. Hij werd op 23 augustus in de zijde geraakt door karabijnkogel.
- Pierre Jooris.  Woonde in de Franciscusstraat. Gehuwd en vader van drie kinderen. Wordt op 24 augustus ernstig gekwetst aan het hoofd.
Charles Lenaers (Edouard Leenaerts?). Woonde aan de vuurtoren nog bij zijn ouders die daarnaast nog twee andere kinderen hebben. Hij wordt licht gekwetst door een schot in de bil.
- Antoon Van Wantergem (Waintergem?). 17 jaar. Woonde aan de vuurtoren bij zijn ouders die daarnaast nog drie kinderen hebben. Wordt ernstig gekwetst door een schot in de schouder (door een bajonetsteek in de buik?).  Hij verbleef op 23 februari 1888 nog steeds in het hospitaal.
- Jean Pharazyn. 24 jaar. Woonde op de Visserskaai. Gehuwd en vader van vier kinderen. Wordt aan boord van een van de Britse vaartuigen licht gekwetst aan het been.
- Frederik Boullaire. Werd op 23 augustus gekwetst door een sabelslag op het hoofd.
- Auguste D’Heeden. Rijkswachter van beroep. Wordt op 23 augustus in de vismijn gekwetst door een mand die hij naar het hoofd geslingerd kreeg.
- Charles De Graeve. Barbier uit de Vrijhavenstraat. Hij had niets met de gebeurtenissen te maken. Gehuwd en vader van vijf kinderen. Werd gekwetst door een ricoletschot van de Burgerwacht. De wonde bleek niet onrustwekkend te zijn.

- De stuurman van de Lamberton werd op 24 augustus gekwetst toen de vissers het schip bestormden.

maandag 6 april 2015

De feiten van de Oostendse vissersopstand van 1887


Maandag 22 augustus, ’s morgens — een Frans vissersvaartuig uit Boulogne, de B 2508 Indépendant wil zijn vangst te Oostende verkopen. Die verkoop zou gebeuren via bemiddeling van de plaatselijke agent Dossaer,  De vangst bestaat uit 130 vaten zoute vis. De extra aanvoer van dat schip laat de prijzen kelderen. Er worden die dag nog drie Oostendse sloepen met zoute vis in de vismijn verwacht.  Nog een ander Oostends vaartuig heeft op dat moment zijn waar al gelost. Wanneer de verkoop begint daalt de prijs van de zoute vis spectaculair tot een onaanvaardbare 10 frank per vat.
De vissers willen de verkoop beletten en dreigen ermee rel te schoppen. De sfeer wordt grimmig.  De Oostendse hoofdcommissaris Tilkens schorst de verkoop en laat de vismijn sluiten.
Maandag 22 augustus, ’s middags — twee Engelse smacks lopen de Oostendse haven binnen om er ’s anderendaags hun vangst te verkopen. Het betreft de zeilvissloepen Express uit Ramsgate en GY 9 Violet uit Grimsby.  Om 16 uur loopt ook het Britse stoomvissersvaartuig Lamberton, met thuishaven Berwick (bij Edingburg), de haven binnen.  Aan boord heeft het 600 bennen vis, waarvan een derde uit fijne soorten (tong en tarbot) bestaat. Ook deze verkoop zou via de Oostendse agent Dossaer gebeuren.
De grote aanvoer van fijne vis dreigt ook de prijs van deze soorten ineen te laten storten, temeer daar er nog andere Britse stoomsloepen in de haven verwacht worden.
Maandag 22 augustus, ’s avonds — De Oostendse vissers hebben na de sluiting van de vismijn in een herberg verzamelen geblazen. Ze besluiten tot actie over te gaan en ’s anderendaags te beletten dat er vis gelost wordt.
Dinsdag 23 augustus — in de vroege morgen wordt er aanstalten gemaakt om de vangst van de Lamberton te lossen. Tegelijk komt een groep Oostendse vissers opdagen die de werkzaamheden willen beletten. De politieagent van dienst verwittigt zijn commissaris (Malfaison) die zich naar de vismijn spoedt om te vissers tot kalmte aan te manen. Maar die krijgen hulp van toesnellende collega’s en de commissaris moet om versterking vragen.  Rond 8,30 uur zijn er al vijftien politieagenten ter plaatse, versterkt met drie gendarmen van de Oostendse Rijkswachtbrigade. Van François, de chef van die drie, is bekend dat hij geen woord Nederlands kent.  De brigadecommandant heeft inmiddels een bode naar Brugge, Blankenberge en Oudenburg gestuurd om daar om versterking te vragen.
Op politiebevel wordt het lossen van de Lamberton gestaakt, maar een eind verder is men wel bezig de lading van de Express aan de wal te zetten. De Oostendenaars werpen de manden weer op het schip.  De politiemacht verplaatst zich richting Express, laat de Lamberton onbewaakt achter, waarvan de actievoerders gebruik maken om dat schip te bestormen. De bemanning vlucht in het vooronder en de stuurman kwetst zich aan de arm.  De politie grijpt in en houdt een actievoerder aan. Hij wordt afgevoerd richting politiebureau. Daarmee is de kous niet af, want de vissers zetten een nieuwe aanval op de Britse schepen in. Er wordt nog iemand aangehouden, maar de twee worden door hun makkers weer bevrijd.
Intussen is er toch vis van de Lamberton gelost.  Onder bescherming van politie en Rijkswacht wordt een eerste kar naar de vismijn gebracht. De politiecommissaris vraagt de vismijndirecteur om de vis te verkopen.  Deze weigert.  De vissers dringen de vismijn binnen en moeten van de kar weggehouden worden met uithalen van bajonetten en sabels. Er komt intussen een tweede kar vis van de Lamberton de vismijn binnengereden. Er volgen schermutselingen, aanhoudingen en bevrijdingen. Vissers trekken, twee vlaggen voorop, betogend rond de vismijn.
Dinsdag 23 augustus 10 uur —  Een derde kar vis wordt aangevoerd en voor het bureau van handelaar Dossaer geplaatst.  Hij provoceert de betogers: ‘Er is nu veel vreemde vis, er zal er nog meer komen. Zo zal ik jullie allemaal de keel afsnijden.’  De menigte ontsteekt in woede. De politie wordt met vismanden, stenen en zelfs kruiwagens bekogeld.  De politiemacht wordt overrompeld en moet zich in het straatje rond de vismijn terugtrekken. Dossaer van zijn kant vlucht naar de zolder van zijn pakhuis.
Niet alleen vissers zijn bij de actie betrokken, ook ‘peerders’ (onderhoudsmannen van de schepen) en andere arbeiders zijn van de partij. Bovendien bemoeien de vrouwen er zich mee. In de woelingen wordt een hoogzwangere vrouw opgemerkt die een voorschoot vol stenen aanvoert om er de politie mee te bekogelen (haar kind wordt een maand later, op 29 september, geboren.)
Aan de ingangspoort worden twee vissers door de dienders op een kruiwagen gedrongen. Een ervan grijpt in zijn val naar het geweer van Rijkswachtchef François. Deze voelt zich bedreigd, schiet eerst in de lucht en dan tweemaal in de menigte. Een visser bemachtigt het geweer en plooit de bajonet op zijn knie. Een andere rijkswachter krijgt een staaf tegen het hoofd en schiet daarop drie keer in het volk.
De gevolgen zijn ernaar. Een visser is ernstig gekwetst door een sabelslag op het hoofd.  Een andere visser is door een kogel in de borst getroffen. (Hij overlijdt op 31 augustus.) Een jonge, zeventienjarige visser krijgt een bajonetsteek in de buik.  De vissers voeren hun gewonden naar de omliggende herbergen om daar verzorgd te worden.  De gendarmen krijgen verwensingen naar het hoofd geslingerd: ‘Moordenaars, ge hebt uw eigen bloed vermoord.’  Een visser bedreigt de politieagenten met een mes: ‘Wie dat gedaan heeft steek ik omver.’  Anderen roepen: ‘Als ik je in burger tegenkom vlieg je de bassin in!’  De Oostendenaars halen hun mooiste scheldwoorden uit de kast: ‘Wij zullen u wel vinden, gij zult een stamp onder uw kloten krijgen en kreveren van de honger.’ ‘Kom een keer hier en ik trek uw moestach uit uw smoel.’ Een vissersvrouw keert zich met haar rug naar de politie, trekt haar rok omhoog, toont haar bloot gat en roept: ‘Als ge wilt schieten, hier is uw cible, schiet maar in mijn ollegat.’
Dinsdag 23 augustus 10,45 uur — De chef van de Rijkswachtbrigade stuurt een telegram naar de Procureur des Konings die de Brugge resideert: ‘Une émeute vient d’ éclater au bassin et à la minque d’Ostende. La gendarmerie et la police sont sur les lieux.’ (‘Er is een rel losgebarsten in het dok en de mijn van Oostende. De Rijkswacht en de politie zijn ter plaatse.’)
Dinsdag 23 augustus 11,11 uur — Hoofdcommissaris Tilkens stuurt een telegram: ‘Atteinte grave à la liberté vente poisson et rébellion police. Ai convoqué gendarmerie et garde civique.’ (‘Ernstige schending van de vrijheid van verkoop van vis en rebellie tegen de politie. Ik heb de gendarmerie en de burgerwacht opgeroepen.’)
Dossaer dringt erop aan de door de Britten aangevoerd vis toch te verkopen, maar politiecommissaris Tilkens laat de vismijn ontruimen.
Dinsdag 23 augustus,13 uur — De burgerwacht verschijnt, opgeroepen door de Oostendse burgemeester Janssens.
Dinsdag 23 augustus,in de middag —Uit Brugge, Blankenberge en Oudenburg is een peloton van dertig rijkswachters toegekomen. 
De Lamberton is om veiligheidsredenen verlegd naar de St.-Ceciliabrug (thans Kapellebrug), nabij het politiebureau op de wijk Hazegras.  De burgerwacht bewaakt met 200 man het schip.  Iemand benadert de schipper en stelt arbeiders, manden en karren ter beschikking om het schip toch nog te lossen.  De massa laat het niet gebeuren, overrompelt de burgerwacht en er worden stenen en koolbriketten naar het schip gegooid, dat naar het midden van het (eerste handels)dok moet uitwijken.
Weer komt een Brits vissersschip de haven binnengevaren. Op het staketsel staan echter Oostendenaars die het met stenen bekogelen zodat het schip rechtsomkeer maakt.
Die middag komt ook het parket ter plaatse.  Talrijke ondervraagden blijken inmiddels min of meer beschonken te zijn.  Er is ook een huiszoeking in het bureau van Dossaer. Daar vindt men een revolver, zes losse patronen en een boksbeugel.  Dossaer zal later vervolgd worden voor verboden wapendracht.
Die middag worden de burgemeester, de commandant van de Burgerwacht en de plaatscommandant bij de koning (Leopold II bevond zich in zijn villa te Oostende) uitgenodigd om de zaak te bespreken.
Dinsdag 23 augustus,18 uur — de vismijn wordt gesloten, de burgerwacht naar huis gestuurd. Dossaer vraagt politiebescherming om zich naar zijn woning in de Kaaistraat te begeven.  Politie- en Rijkswachtpatrouilles moeten de rust in het visserskwartier garanderen.




Dinsdag 23 augustus,’s avonds — de herbergen van het visserskwartier zitten stampvol. Een groep vissers trekt, de Belgische vlag voorop en De Vlaamse Leeuw zingend, de straat op, naar het Wapenplein.  Voor de Cercle Cecilia, het lokaal van de liberalen werd geroepen: ‘Weg met de Steurs’ (liberale volksvertegenwoordiger) — Het Oostends gemeentebestuur bestond volledig uit Liberalen.) Vervolgens trekt de groep naar de daar ook gelegen Cercle Catholique, waar ‘Leve Carbon’ (katholiek volksvertegenwoordiger) geroepen wordt. Vermoed wordt dan ook dat de katholieken achter deze manifestatie zitten.
Dinsdag 23 augustus, 22 uur — De schipper van de Lamberton heeft intussen een telegram van de reder ontvangen met het bevel terug naar Engeland te keren.  Gewapend met een revolver (De schipper had zich op aanraden van de Britse consul in Oostende bewapend) gaat de schipper van de Lamberton aan wal om proviand op te doen om de terugreis aan te vatten.
Woensdag 24 augustus, 1,30 uur — De Lamberton wordt klaargemaakt om te vertrekken.  Omdat het schip nagelaten heeft loodsgeld te betalen, wordt het door de sluiswachter tegengehouden.  Omdat dit de taak was van Dossaer, agent van de Britse rederij, gaat de schipper, onder gewapende geleide, naar diens huis.  De zaak wordt geregeld.
Woensdag 24 augustus, 6 uur — de Lamberton vaart de haven uit onder een stenenregen die vanaf het staketsel naar het schip gegooid wordt.  Op hetzelfde ogenblik vaart de O 143 van rederij Hamman de havengeul binnen.  Bij aankomst legt de schipper bij de Waterschout klacht neer omdat zijn vaartuig vanaf de Lamberton met stenen bekogeld zou zijn.  Ook zou hij door de schipper ervan met een revolver bedreigd zijn. Het gerucht doet de ronde dat er zelfs geschoten zou zijn.  De gemoederen in de stad laaien weer danig op.
Om zes uur is ook de burgerwacht weer van de partij.  Een groep controleert de vismijn, een andere groep staat nabij de ‘débarcadère’ waar de passagiers van de lijn Oostende-Dover in- en ontschepen.  Ook rijkswachters en politieagenten staan in de buurt opgesteld.  Bij de hoek van de spoorwegbrug over de Brugse vaart liggen immers nog steeds twee Britse sloepen (Violet en Express) afgemeerd.
Woensdag 24 augustus, 6,30 uur — Aan boord van de Violet maakt men alles klaar om de vis te lossen. Weer beginnen de schermutselingen. De woedende menigte overweldigt de burgerwacht.  Terwijl de bevelhebber met de vissers probeert te onderhandelen, steken anderen vanaf de Keizerskaai (nu Vindictivelaan) met roeibootjes het dok over en ze bezetten de Violet en de Express.  De landvasten worden losgegooid en de twee schepen drijven (samen met de O 101 République die daar ook ligt) naar het midden van het 1ste dok.
Hoofdcommissaris Tilkens sommeert de vissers twee keer (in het Frans!) om de schepen te verlaten. Ze antwoorden dat ze dat enkel zullen doen wanneer hun de verzekering gegeven wordt dat de schepen niet gelost worden: ‘Schiet als ge durft, we moeten toch kreperen van de honger, met onze kinderen!’
Wie vervolgens het bevel tot schieten geeft is niet bekend.  De  commissaris verklaart achteraf dat het de commandant van de burgerwacht is, bij de burgerwacht zegt men dan weer dat het de commissaris is. Feit is dat er eerst in de lucht geschoten wordt. De vissers beantwoorden het schot met het zingen van de Vlaamse Leeuw. Een tweede schot in de lucht is voor hen aanleiding om de borst te ontbloten: ‘Schiet maar als ge durft, zondagssoldaten!’ 
Het derde schot is rechtstreeks op de opstandelingen gericht. Aan boord van de schepen vallen twee doden en drie gekwetsten. Op de kaai wordt ook een arbeider geraakt die daar toevallig aanwezig is. Ook een barbier die staat toe te kijken wordt getroffen. Hij krijgt een schot in de bil.
De rust is daarmee hersteld. De vaartuigen worden aan land vastgemaakt, de gewonden worden naar het hospitaal afgevoerd, de doden naar het dodenhuisje.
Woensdag 24 augustus, 11 uur — de burgerwacht wordt naar huis gestuurd en vervangen door in Oostende gelegerde soldaten, het derde linieregiment.  Rond 11 uur is er een troepenmacht van 200 man ter plaatse, versterkt door twee eskadrons Jagers te paard uit Brugge. 
Een groep vissers en arbeiders trek betogend door de stad, op weg naar de woning van Dossaer in de Kaaistraat.  Het huis wordt bewaakt door Rijkswacht en politie. Deze worden achteruitgedrongen. Er sneuvelen ruiten.
Dossaer is evenwel niet thuis. Hij houdt zich schuil in een herberg. Vrouw, kind en meid waren eerder al ondergedoken bij een vriend. Onder politiebegeleiding wordt ook Dossaer zelf daarheen geleid.
Samenscholingen van meer dan vijf worden verboden en alle herbergen in het visserskwartier moeten gesloten blijven. De vaartuigen in de haven hijsen de vlag halfstok ten teken van rouw.
Woensdag 24 augustus, 15 uur — De Violet en de Express verlaten de haven niettegenstaande ze de toelating krijgen om vooralsnog hun vis te lossen.
Negen mensen worden in de namiddag gevankelijk overgebracht naar Brugge. In totaal worden zeventien mensen beschuldigd: zeven ervan zijn vissers. Verder is er een vrouw bij, een vishandelaar en een aantal arbeiders.
Woensdag 24 augustus, ’s avonds: het leger patrouilleert in de stad. De kalmte is weergekeerd.
Dossaer vlucht met zijn familie per huurkoets naar Nieuwpoort waar hij veertien dagen zal blijven.
Vrijdag 26 augustus, 8 uur  — Alle schepen in de haven hangen de vlaggen halfstok ten teken van rouw. Aan het dodenhuis (hoek Leffingestraat en de huidige Edith Cavellstraat) vertrekt de begrafenisstoet van de gedode vissers Wauters en Verhulst.  De kisten worden gedragen door vissers en worden omringd door een erehaag van hun collega’s. Via de Ooststraat en de Kerkstraat gaat het richting grote kerk.  Vooraan wordt een Belgische vlag gedragen. Deze wordt voorafgegaan door een meisje dat een bord draagt waarop staat: ‘Gans Oostende betreurt uw droevige dood.’
Onderweg in de Ooststraat vervoegen volksvertegenwoordiger de Steurs en politiecommissaris Tilkens de stoet.  Er wordt gejouwd. De zuster van de dode Wauters haalt uit naar de commissaris.
Vrijdag 26 augustus, na de dienst — De stoet trekt door de stad naar de begraafplaats te Mariakerke. Deken Decannière voert er het woord en maant aan tot kalmte. Een visser wijst er in zijn rede op dat de twee gestorven zijn voor het belang van de vissers.
Bij het neerlaten van de kist stijgen er wraakkreten op uit de massa.  Aalmoezenier Paster Pype maant in een rede aan tot waardigheid.
Vrijdag 26 augustus, na de begrafenis — De vissers keren in stoet terug naar de stad. Het vaandel vindt een plek in een herberg in de St.-Sebastiaanstraat. ’s Middags gooit een visser nog een emmer zand naar een lid van de burgerwacht.
Een tiental aangehouden personen wordt naar Brugge overgebracht. De vissers weigeren zee te kiezen vooraleer ze allen vrijgelaten worden.
Zaterdag 27 augustus — Alle gevangenen worden vrijgelaten. Vier stoomschepen verlaten de haven.  In Blankenberge verklaren de vissers zich solidair met hun Oostendse collega’s.
Zondag 28 augustus — De ordetroepen blijven op post.  Veertig zeilsloepen trekken ter visserij. De socialisten delen een pamflet uit: ‘Komt gij terug van zee en is de vangst goed dan is de winst groot voor de eigenaar en den vischhandelaar, maar gij, visschers, zonder wie geen vischje gevangen werd, gij hebt hoogstens 12 frank per acht dagen, waarmee gij uwe vrouw en kinderen moet spijzen.’
Dinsdag 30 augustus — Een werkgroep ambtenaren van diverse ministeries stelt vast dat de vissers klagen over de nadelen die veroorzaakt worden door de aanvoer van Britse schepen.

Woensdag 31 augustus, 16 uur — De Britse R 455 Blue Bell, met thuishaven Ramsgate, loopt de Oostendse haven binnen. Het schip legt aan, maar de landvasten worden door toegesnelde Oostendenaars weer losgegooid. Er wordt nog een poging ondernomen om het schip te laten aanleggen, maar ook die wordt belet. Uitgejouwd en met stenen bekogeld verlaat het schip weer de haven.
Vrijdag 2 september — Een Britse visserssloep loopt de haven van Oostende binnen. Weer wordt er gejouwd en gescholden, maar het schip kan wel zijn vangst in de vismijn verkopen.
In het Oostendse casino wordt die dag een liefdadigheidsconcert gehouden ten voordele van de slachtoffers: opbrengst is 1.800 frank. [Volksvertegenwoordiger de Steurs opent een steunlijst die uiteindelijk 4.338 frank opbrengt. Ook in de kerken worden omhalingen georganiseerd en zelfs vanuit Engeland komt steun in de vorm van zes balen wollen kledij die onder de vissers uitgedeeld worden.]
Zondag 11 september — In de zaal El Dorado in de Sint Fransiscusstraat wordt een meeting georganiseerd door de socialisten. Ze roepen er op tot het vormen van weerstandskassen.

21-24 februari 1888 — De rechtbank te Brugge veroordeelt 47 mensen voor de feiten in de vismijn, 10 voor de feiten aan boord van de Britse vaartuigen, 16 voor beschadigingen in de stad en 10 voor smaad aan de openbare macht.  In totaal werden 41 maanden gevangenis opgelegd en 3.331 frank boetes. Vishandelaar Dossaer kreeg een boete van 200 frank voor verboden wapendracht.

donderdag 26 februari 2015

SDVO: waarover in de pers duurzaam gezwegen wordt

De Stichting voor Duurzame Visserijontwikkeling (SDVO) heeft subsidiegelden misbruikt, zo oordeelt de Europese Commissie (EC). Het betreffende besluit leest u hier. Ze moet dat geld teruggeven. Europees parlementslid Bart Staes heeft zich in dit dossier vastgebeten en eist nu dat de SDVO wordt opgeheven. ‘Onder het mom van duurzame visserij, heeft dit "viskartel", dat sinds 2003 minstens 2 miljoen euro overheidsgeld per jaar krijgt toegestopt, de ontwikkeling van een écht duurzamere visserij getorpedeerd.’ Staes omschrijft de SDVO verder als: ‘[E]en hermetisch gesloten netwerk, gedekt door politieke vrienden (…) Een club die eerder handelde uit eigenbelang (…)’ Mij lijkt het een goeie omschrijving van heel de visserijsector te zijn, de sector zoals ze is. Dat eigenbelang, zo vervolgt Staes, staat de duurzame hervorming van de visserij in de weg. De kwestie haalt nu de nationale media en ik vraag me af hoe we het ontstaan van SDVO destijds in Het Visserijblad becommentarieerd hebben.
In het meinummer van 2003 meldden we dat SDVO opgericht was: ‘De nieuwe stichting kadert in de ‘hype’ rond het begrip duurzaam ondernemen. Om de Vlaamse visserij op dat spoor te zetten is er inderdaad nood aan een instantie die onderzoekt hoe de sector zo’n vooruitziende blik kan krijgen.’ We betwistten wel heftig de financiering ervan: ‘Vraag is of die stichting uit de solidariteitskas van de vissers moet betaald worden.’ We hadden toen inderdaad vernomen dat, vanaf 1 januari 2003, een groot bedrag uit de bedrijfsvoorheffing apart gezet wordt in het Zeevisserfonds. Een deel ervan zou gebruikt worden om de SDVO te financieren.
Twee woorden vroegen om meer uitleg: bedrijfsvoorheffing en Zeevissersfonds. Dat laatste is een solidariteitskas die door de sociale partners beheerd wordt. In 1986 opgericht, heeft het vooral tot doel de vissers een extra inkomen te geven wanneer ze de sector voor de pensioenleeftijd moeten verlaten. (Er zijn immers maar weinig vissers die het zware werk op zee tot hun pensioen uithouden.) Het fonds kan ook andere sociale voordelen voor de vissers financieren. Het wordt bijvoorbeeld ingezet wanneer die in 2003 eindelijk een modern sociaal statuut verwerven. Maar dat het ook aangesproken zou worden voor de financiering van de SDVO vonden we niet kunnen. Temeer daar het geld dat vanuit het Zeevissersfonds naar de SDVO zou gaan uit de bedrijfsvoorheffing komt, het andere woord waarover we toen enige uitleg gaven. De bedrijfsvoorheffing wordt door de reders gepercipieerd als een belasting die de onderneming betaalt. Maar dat klopt niet, het is een belasting die de vissers-werknemers op hun inkomen betalen. Dat die aan de bron, in de onderneming, van hun loon afgehouden wordt, verandert niets aan de zaak: het blijft geld van de werknemers dat naar de belasting vloeit en sinds 2003 ook gedeeltelijk naar het Zeevissersfonds… en vervolgens naar de SDVO. Vandaar dat we in 2003 konden schrijven dat de modernisering (verduurzaming) van de visserijondernemingen niet door de ondernemers betaald zou worden, maar door het personeel. De reders vonden het een schitterende vondst, ze werden daarin gesteund door de vakbonden en de politici. En ze werden niet tegengesproken in de pers. Dat de visserij een sector is waarin geld uit de sociale kas van de werknemers gebruikt wordt om de winsten van hun bazen veilig te stellen is tot vandaag alleen nog maar door wijlen Het Visserijblad aangeklaagd. De hetze tegenover SDVO is pas ontstaan nadat een deel van het patronaat, met reder-mosselboer Willy Versluys als charismatisch boegbeeld, zich benadeeld voelde. Of zoals Staes het in zijn persmededeling zegt: ‘Juist het feit dat SDVO zich steeds meer als een commerciële speler opstelde, doet het viskartel nu gelukkig de das om.’
En dit is wat wij al in 2003 meldden, nog voor SDVO opgericht werd: ‘In de nieuw op te richten stichting wordt het duurzaamheidstreven wel heel breed uitgesmeerd. De initiatiefnemers delen ons mee dat die stichting, naast het stimuleren van alternatieve vistechnieken, ook gebruikt zal worden voor imagoversterkende maatregelen, het organiseren van promotie en publiciteit voor de sector, het vergroten van de slagkracht ervan, desgevallend het lanceren van een kwaliteitslabel en nog dergelijke mercantiele (en zeker geen sociale) doelstellingen. Uiteraard wordt daarbij ook ruimte voorzien voor het organiseren van allerlei, zelfs ‘internationale’ contacten’ om dat alles ook elders eens goed te gaan bekijken. En dat alles wordt voortaan betaald met het belastinggeld van de vissers-werknemers.’ Al de poeha die we nu rond de ‘marktverstoring’ te horen krijgen, lijkt mij toch maar klein bier te zijn tegenover de conclusie die Het Visserijblad al in 2003 kon trekken. Helaas blijk ik daar nog altijd alleen in te staan. En dat roept bij mij veel vragen op; vragen over de rol van de politiek, de rol van de vakbonden en de rol van de… pers.
Flor Vandekerchove

donderdag 29 januari 2015

Lijst der scheepsrampen in de Vlaamse visserij sinds 1946

Sinds het einde van WO II zijn 175 Vlaamse vissersschepen vergaan. Daarbij hebben 161 opvarenden het leven verloren. Daarbovenop komen nog de talrijke dodelijke arbeidsongevallen, over boord geslagen opvarenden en slachtoffers van branden en ontploffingen die we hier onvermeld laten. (*) We maakten in Het Visserijblad van april 2011 een lijst op van de scheepsrampen met Belgische vissersvaartuigen na WO II.  Het bleken er 169 te zijn, dat is meer dan het dubbele van het aantal schepen dat de Vlaamse vloot nu nog telt. Van Rik Maes kregen we inmiddels bijkomende info toegestuurd, waardoor we de gegevens kunnen vervolledigen. De aanvullingen van Maes, en de daardoor veranderde getallen, staan in rood aangeduid.
Het scheepsnummer en de scheepsnaam wordt gevolgd door de namen van de dodelijke slachtoffers.  Ik vermoed dat onze opzoekingen nog steeds geen volledige namenlijst opgeleverd hebben. Opmerkingen en bijkomende gegevens kunnen op de blog achtergelaten worden. [De lijst werd bijgehouden t.e.m. 2015.]
Sinds mijn pensionering hou ik deze reeks niet meer bij. Indien iemand nog weet heeft van scheepsrampen in de Vlaamse visserij en de namen kent van daarbij omgekomen vissers, dan zou ik het op prijs stellen als ze die gegevens hier bekend maken. 
Zelf kan ik aan die lijst nog toevoegen:
2017:
174. — Z.582 Asannat (26 december) — †Eric Mackelbergh (38), †Babacar Diaw Fall (39).
2018:

175. — Z.19 Sonja (25 augustus) — †Kurt Slabbinck (48) — †Roger Soete (60)



1946           
1. — Z.443 Augusta — †Eugeen Lauwereins, †Georges Muller
2. — Z.497 Delphine-Irène — †Simon Laseure, †Albert Vantorre, †Augustin Vantorre, †Charles Nickees
3. — O.272 Piet Hein                       
4. — O.316 Marie-Joseph-Bernadine
(Voor 1946, zie ook de reactie van Johan Depotter, onderaan de lijst.)
1947           
5. — N.738 Ons Gedacht — †August Ryssen, †Urbain Ryssen, †Jeroom Ryssen, †Henri Ryssen.
6. — O.188 Venus
7. — O.275 Oceanic II — †Robert Baert, †Alfred Lauwereins, †Gilbert Huyghe.
8. — Z.139 Emile — †René Depaepe, †Oscar Janssens, †Frans Janssens, †Georges Preem, †Walter Janssens.
9. — O.167 Sonny Boy — †Maurice Laplasse .           
1948           
10. — O.138 Simonne-Marcelle — †François Vanderstraeten.
11. — O.249 De Zeester — †Polydore Bens.
12. — O.245 Evolution
1949           
13. — O.194 Remi-Marcel — †Adolf Pincket, †Armand Heinderson, †Adolf Bogaert, †Edgard Briemont.
14. — Z.476 Robert
15. — O.304 Laermans — †Georges Verburgh, †Frans Vanhoucke, †Gerard Vanden Bergen, †Robert Deburggraeve, †Walter Debruyne, †Arthur Hubrechtsen, †Victor Eyland, †Lucien Morlion, †Roger Duyck, †Camiel Verburgh.
16. — N.757 Zulma-Maria                       
1950           
17. — O.48 Paulette
18.—  Z.713 Carnot
19. — O.336 Yarmouth
1951           
20. — Z.487 Maddy
21. — Z.508 Pharaïlde
22. — O.225 Guido Gezelle
1952           
23. — O.74 Yvonne
24. — Z.413 Blanche-Marguerite
25.—  Z.511 Navis Marie
26. — O.310 Robert Verschelde
1953           
27. — Z.527 Leopold-Nera — †Henri Rappé, †Eugeen Vanden Abeele, †Etienne Vanden Abeele, †Louis Vandierendonck, †Gerard Arents.
28. — Z.429 Gustaaf
29. — O.229 Gabrielle
30. — O.238 Hoop op Zegen
31. — O.78 Aline
32. — O.265 Victoire-Roger
33. — O.65 Sophie-François — †Hubert Van Acker, †Charles Legein, †Roland Vanhaverbeke.
1954           
34. — O.137 Ste.Thérèse de Jésus —†Karel Haelewyck, †Robert Haelewyck, †Oscar Vanslembrouck, †Emiel Houcke.
35. — N.812 Itesberghe
1955           
36. — Z.428 Claire-Robert
37. — Z.417 Denise-Germaine — †Julien Verkempynck, †Herman Duyck.
38. — Z.288 Huguette-Annie
39. — O.121 Monte Carlo
40. — O.176 Atlantic
41. — O.315 Beatrix Fernande — †Romeo Ketelers, †Hector Caullet, †Emile Vandecasteele
1956           
42. — O.76 Noordster
43. — O.337 Marjolene
1957           
44. — Z.34 Sonja II
45. — Z.197 Polydore
46. — N.711 Robert-Clara
47. — O.173 Confiance
48. — Z.330 Marcel           
49. — O.395 Van der Weyden
50. — Z.291 Eliane-André
1958           
51.—  Z.446 Smarapaan
52. — Z.171 Zeester
53. — Z.313 Celtic
54. — Z.323 Monica
55. — O.198 Suzanne-Adrienne
1959           
56. — O.246 Frans-Elza — †Julien Ocket, †Maurice Dedulle, †Maurice Vercruyce, †Fernand Dergeloo, †Marcel Gryson.
57. — N.719 Mijn Gedacht 

De stranding van de houten diepzeetreiler O 315 Béatrix Fernande 
voor de Schotse kustvan Moray Firth in 1955, waarbij Romeo
Ketelers, Hector Caullet, Emile Vandecasteele het leven lieten.

1960        
58. — O.297 Rubens
59. — O.289 Magdalena
60. — Z.605 Christianne-Hubert-Francine
61. — Z.38 Gilbert-Robert
1961           
62. — O.187 Jules Denye — †Herman Vieren
63. — Z.777 Credo
64. — O.200 Jonge Jan
65. — O.342 Normandie
66. — O.244 Philomena
67. — Z.515 Madeleine-Raymond
68. — Z.442 Jeannine-André
69. — O.285 Marie-José-Rosette
1962           
70. — O.83 Prince de Liège
71. — N.806 Vertrouwen
72. — Z.227 Golvenzang — †François Elegeert, †Gerard Haeck, †Roland Therry, †Louis Van Besien, †Louis Ducheyne
1963           
73. — Z.122 Madonna
74. — Z.226 Zephir
75. — N.71 De Maria
76. — O.780 Stormvogel
77. — N.33 Suzette
78. — N.232 De Carina
79. — O.140 Don Bosco
1964           
80. — Z.510 De Blauwvoet
81. — Z.514 Zeemeermin
82. — Z.416 Vado Piscari — †Robert Decuyper, †Norbert Desmedt, †Hubert Helsmoortel, †Rafaël Calus
83. — Z.476 Noorderblik — †Louis Dewaele
84. — O.743 Johnny
85. — O.265 Victoire-Roger
86. — O.166 Oceanic
87. — Z.274 Maria
88. — Z.248 Willy
1965           
89. — O.188 Erna — †Gustaaf Beyen, †André Verbanck, †Désiré Bruyneel, †Albert Pauwaert, †François Vandekerckhove
90. — Z.453 O.L.V. van Scarphout
91. — O.127 Basile-Georges
92. — Z.539 Zeemansblik
93. — Z.277 Madeleine-Henriette
1966           
94. — O.105 Jacqueline-Florimond
95. — Z.561 Heideroosje — †Camiel Vantorre, †Gilbert De Maecker
96. — O.196 Irène-Robert
97. — N.27 De Zeven Kinderen
98. — O.46 ‘t Zal Wel Gaan
1967           
99. — Z.443 Mercator — †Leopold Desmidt, †Louis De Groote, †Charles Verbeke, †Leon Snauwaert, †Leon Vantorre.
100. — Z.240 Marie-Antoinette
101. — O.741 Hoop op Vrede
102. — N.725 Ronny
103. — Z.464 Goldstar — †Ronny Tanghe.
1968           
104. — Z.531 Shamrock II — †Ronald Depaepe, †Roger Depaepe, †René Depaepe, †René Janssens, †Freddy Savels
105. — N.449 O.L.V. v. Scherpenheuvel — †François Verleene, †André Vanhove, †Albert Ackerman, †Wilfried Geryl.
1969           
106. — O.174 Résistance
107. — Z.733 Heldenhulde
108. — O.228 Massabielle
109. — O.242 De Haai
110. — N.819 Stijn Streuvels
111. — N.705 Liliane
112. — Z.775 Zinnia
113. — Z.428 Deo Gratias — †Robert Vantorre, †Alfons Hiel, †Joseph Dekoninck, †Daniël Houtteman
114. — Z.212 Rita-Rudi
1970           
115. — O.818 Lucie-Jenny II
116. — O.132 Christoffel Colombus
117. — N.419 Dolfijn                                  
1971           
118. — Z.540 Neptune
119. — Z.482 Breydel
1972           
120. — O.268 Amélie-Suzanne
121. — Z.577 Sabrina
122. — O.247 Amélie-Mathilde
1973           
123. — Z.587 Alca Torda
1974           
124. — N.147 Suzanna — †Norbert Gheeraert
125. — O.754 Diana
126. — O.288 Lans
1975           
127. — Z.496 Damar
128. — B.604 Ibis — †Rudi Lebahn, †André Wille, †Eugène Lagast, †William De Groote, †Norbert Calus.
129. — Z.438 Kompas
130. — N.159 Avondster
131. — O.312 Angelus
132. — O.224 Noordzee
1976
1977           
133. — O.807 Maurice — †Pierre Pincket, †Roger Pincket, †Didier Groenvynck.
134. — Z.511 Normandie
1978
1979           
135. — O.82 Mariner
1980           
136. — Z.592 Hosanna — †Germain Ackx, †Piet Ackx, †Hector Snauwaert, †Peter Guyt, †Pieter-Albertus Guyt.
1981           
137. — Z.180 Tornado — †François De Voogt, †Willy Bentein, †Hendrik Legein, †Gustaaf Clement, †Laurent Stubbe.
1982           
138. — Z.209 Onedin
139. — Z.574 Nautilus
140. — O.202 Pelagus — †Gilbert Stevelinck, †Patrick Maes.
1983           
141. — N.710 Tracy
1984           
142. — Z.424 Zeepaardje — †Walter Vdierendonck, †Gerard Allemeersch, †Freddy Norullie, †Marc Durie, †Arthur Teetaert.
1985           
143. — Z.589 Esperanza — †Walter Verbeke.

Op 13 december 2005 kapseisde de Z 122 Noordster in het Engels Kanaal.  
Van de vier bemanningsleden was scheepsjongen Hendrik Vlietinck (19) 
de enige overlevende. Schipper Tom Vlietinck (35) en de matrozen 
Geert Meyers (41) en patrick Geryl (36) lieten het leven. 
Op de foto zien we hoe Hendrik Vlietynck zich kon redden 
door op de kiel van het gekapseisde vaartuig te klauteren. (foto MAIB)
144. — Z.289 Jan Breydel
1986           
145. — Z.60 Blue Angel
146. — N.512 Ingrid: †René Calcoen, †Jean-Pierre ‘TJaeckx, †Roland Hillebrant
1987           
1988           
1989           
147. — Z.200 Tijl Uilenspiegel — †Eddy Van Der Veen, †Ricardo Caro-Muino, †Daniël Noens, †Patrick Van de Walle, †Ronny De Vent.
1990           
148. — O.303 Girl Linda — †Nick Depreytere, †John Verstraete, †Glenn Verhaeghe, †Geert Decock, †Marnix Michils, †Jürgen Michils.
149. — Z.300 Veerman
1991           
150. — N.350 Colette
1992           
151. — N.736 Lucky — †François Logé.
152. — O.82 St. Antoine — †Freddy Deley.
1993            -
1994            -           
1995           
153. — N.525 Golfbreker
154. — Z.45 Herakles
1996           
155. — Z.586 Mermaid — †René D’hondt
156. — O.66 L’Ebauche
1997           
157. — Z.474 Limanda — †Kees Korf
158. — Z.12 Arthur
159. — Z.201 Linquenda
1998           
160. — N.52 Sea Hunter — †Albert Salliau, †Gregory Salliau, †Patrick Vandewoude, †Jean-Pierre Le Louarn.
161. — O.369 Koningin der Engelen
162. — Z.576 Ostara
1999
2000
2001
2002           
163. — Z.548 Flamingo — †Michel D’Hondt, †Peter Coopman, †Franky Vanhondeghem, †Michael Steenkiste.
164. — Z.184 Liquenda
2003
2004
165. — Z.59 Gudrun
2005
166. — Z 28 Annie B
2006
167.— Z.122 Noordster — †Patrick Geryl, †Geert Meyers, †Tom Vlietinck
2007
168. — Z 36 Arca
2008
2009
2010
2011
169. — N.28 Mooie Meid — †Eric Tange (NL), †Chrisiaan de Ridder (NL), †Marc de Ridder (NL).
170. — Z.700 Rapke 
171. — O.333 Marco
2012
2013
172 — Z.75 Zeldenrust
2014
2015: 
173. — Z 85 Morgenster — †Jan Kramer (29, NL), †Bert Woort (45, NL), †Maurice Coussaert (64) en †Americo dos Santos Martins (48, Portugal).

(*) In zijn boek ’75 jaar onderzoeksraad voor de zeevisserij’ berekende rijkscommissaris Carly dat er tussen 1927 en 2000 niet minder dan 325 dodelijke slachtoffers te betreuren vielen aan boord van Belgische vissersvaartuigen.