dinsdag 28 januari 2014

De verbeelding van een vissersgemeenschap in de XXIste eeuw


Een essay 
Scheepsdoop in de Oostendse vissershaven (2013)
I. — Een man legt een vijver aan. Hij koopt een vijverbak, waterplanten en vissen. De bak graaft hij in op een plaats waar de zon een halve dag schijnt. Hij vult de kuip met water, planten en vis. Er ontstaat een biotoop. Met plezier kijkt de man toe hoe in de tuin nieuw leven gedijt. De vissen groeien, er komen libellen en een pad, nieuwe plantjes, watervlooien, slakken… Het spel van het wisselende zonlicht maakt de plek des te boeiender, lieflijk overdag, avontuurlijk als het donker wordt. De vijver wordt een geheel, een enclave, een kleine, aparte wereld waardoor de toeschouwer danig geboeid wordt.
De man van deze tuinvijver is filosoof Hub Zwart. (1) Hij gebruikt dit vijververhaal om ons iets te zeggen over wat hij het imaginaire perspectief noemt, de verbeelde werkelijkheid. Dat perspectief is concreet, zintuiglijk, verhalend, anekdotisch en gericht op samenhang. Je kan het ook een poëtisch perspectief noemen.
Maar daarmee wordt het vijververhaal niet afgesloten. Want op een dag ontdekt de man dat het water groen en drassig wordt en dat de vissen tegen het oppervlak om lucht moeten happen. Hij raadpleegt een boek over het onderhoud van tuinvijvers. Daarin leest hij dat hij zich moet buigen over de zuurtegraad van het water en over de CO2. De vijver krijgt een heel ander perspectief. Het gaat nu om indicatoren, symbolen, cijfers, meetinstrumenten… Hub Zwart zegt dat de vijver verandert van een poëtisch geheel in een nuchter en koel netwerk van symbolen. Het imaginaire wordt vervangen door het analytische.
Vervolgens stelt Zwart zich de vraag: welke van de twee perspectieven toont ons de werkelijkheid, het imaginaire of het symbolische, het poëtische of het analytische? Het antwoord ligt voor de hand: het is niet het een of het ander, het is het een èn het ander. Het imaginaire perspectief richt zich vooral op het wezen van de dingen, het analytische heeft vooral aandacht voor de werking ervan. We leren de vijver beter kennen wanneer we beide perspectieven hanteren dan wanneer we ons opsluiten in een van de twee zienswijzen.

II. — De visserij is een kleine, boeiende gemeenschap die mensen erg charmeert omwille van haar opmerkelijke eigenheid (cultuur van de jacht, gespecialiseerde know how, het kaaileven, de band met de zee…). De filosoof Hub Zwart zou dit het imaginaire karakter van de visserij noemen.
Tegelijk vind je in die gemeenschap uiteraard ook de maatschappelijke elementen terug die ook elders te vinden zijn: een kapitalistische sector waarin autoritaire machtsverhoudingen bestaan, geleid door een politiek-economisch complex dat we de sectortop noemen. Die verhoudingen behoren tot de analytische  werkelijkheid van de visserij. Willen we de visserij begrijpen dan moeten we die verhoudingen inderdaad analyseren. Meer nog dan dat het geval is voor de vijver van Hub Zwart moeten de twee zienswijzen vervolgens met elkaar verbonden worden, want in zijn vijver ontbreekt een maatschappelijke factor die de zaken erg compliceert.
Het imaginaire mag in de mensenmaatschappij even goed poëtisch en zelfs romantisch zijn, en volgens Zwart waardevolle kwaliteiten in zich dragen, het vormt er door de marktverhoudingen tegelijk een vruchtbare bodem waarop stemmingmakerij, vooringenomenheid en propaganda welig tieren. Meestal worden ze public relations genoemd. Daarvan zijn vele voorbeelden te geven. 
Bewuste pogingen van de sectortop om het ‘imago’ te verbeteren en alle falen van zich af te wenden en in de richting van ‘de anderen’ te sturen, de ‘buitenstaanders’, ‘de rest van de wereld’… zijn als onkruid dat zich op het imaginaire perspectief van de vissersgemeenschap ent. De figuurlijke visserijvijver wordt erdoor belaagd en we worden net als filosoof Zwart verplicht om ons te buigen over de ‘zuurtegraad’ van de visserijsector.
Op de visserskaaien heeft men al van nature de neiging om de wereld in twee tegen over elkaar staande kampen te verdelen: de visserij en haar even schaarse als machtige bondgenoten enerzijds en de rest van de wereld anderzijds. Ook doordat de sector al een halve eeuw ‘gedownsized’ wordt, ontstaat bovendien de indruk dat de visserij maatschappelijk belaagd wordt; dat het één tegen allen is, David tegen Goliath, en dat iedereen zich op de kaaien eendrachtig achter een vermeend visserijvaandel moet scharen dat door de sectortop hoog gehouden wordt.  Maar klopt deze tweedeling eigenlijk wel?
Een voorbeeld. In het informatieblad van de patroonsorganisatie van de reders ter zeevisserij (2) stond een bijdrage betreffende ‘Studies over visserij’. Dat begint als volgt: ‘Het hoeft geen betoog dat er rond visserijonderzoek heel wat studies bestaan. De Rederscentrale ziet met lede ogen aan dat vele van deze studies louter en alleen gevoerd worden om de visserij in een slecht daglicht te plaatsen.’ Het artikel heeft het meer bepaald over een studie die ‘trachtte te berekenen hoeveel waarde er jaarlijks verloren gaat door overbevissing.’  U mag dat onderwerp, net zoals ik, interessant vinden, maar de sector heeft er geen boodschap aan: ‘Op zich is het jammer dat er ondanks de verbeterde samenwerking met de wetenschap, toch nog dergelijke tendentieuze studies gevoerd worden (…)’. Daar tegenover staat dan, nog steeds volgens hetzelfde blad, de wetenschap die met de visserijsector verbonden is. Meer bepaald gaat het over het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek dat ‘vanuit een neutraal standpunt visserijtechnieken onderzoekt.
Dat laatste is natuurlijk een belachelijke bewering. ILVO is voor de werking compleet afhankelijk van sector en overheid die beide dezelfde welbepaalde belangen behartigen, namelijk deze van de huidige reders ter zeevisserij.  ILVO voert alleen maar onderzoek uit dat die belangen ondersteunt. Dat maakt uiteraard dat een neutraal standpunt van meet af aan uitgesloten wordt.
De bunker van de Maritieme Site Oostende. Activisten van Climaxi
worden er ingeleid in de wondere wereld van de zeevisserij. (2010)
Maar hoe zit het nu met studies uit ‘de rest van de wereld’? Wel, wat voor het ILVO geldt, gaat op voor alle onderzoekswerk. Wetenschapsfilosofen hebben trouwens een vette kluif aan dat onderwerp. In hoeverre kan er ‘waardevrije’ wetenschap bestaan? In hoeverre beïnvloedt de maatschappelijke omgeving de richting die het onderzoek uitgaat. Dat blijkt volgens sommigen altijd het geval te zijn. De filosoof Bruno Latour viste uit dat zelfs het saaie wetenschappelijk werk in een laboratorium eveneens door maatschappelijke factoren beïnvloed wordt.
Who pays the piper? Wie het orkest betaalt, bepaalt welke liedjes er gespeeld worden. Dat lijkt me sowieso het eerste te zijn dat je bij de beoordeling van een studie moet weten. Moet je de wenkbrauwen niet fronsen bij een onderzoek waaruit blijkt dat suiker niet verantwoordelijk is voor de gewichtstoename van de bevolking… als je weet dat die studie uitgevoerd werd in opdracht van de suikerproducenten? (Lach niet, die studie bestaat.) Berucht zijn ook de vele studies die sigarettenfabrikanten lieten uitvoeren en waarbij de resultaten uiteraard suggereerden dat tabakgebruik niet erg schadelijk is. (3)
Wetenschappelijke studies worden inderdaad even goed misbruikt om particuliere belangen te behartigen als politieke tussenkomsten, lobbyisme en journalistieke stukken. Zo kwam de Leuvense professor Konings onlangs nog in het nieuws met een studie die zei dat een indexsprong 32.000 nieuwe arbeidsplaatsen kon opleveren. Ik vond dat een interessante uitkomst en zocht de studie op. (4)
Hola! Wat zie ik? VOKA betaalt de leerstoel van de professor die deze studie uitvoerde. Is dat niet de patroonsorganisatie die een notoir tegenstander van de indexkoppeling aan de lonen is? Wellicht vindt men bij VOKA dat professor Konings dat allemaal vanuit een ‘neutraal standpunt’ onderzocht heeft. Zelf geloof ik daar niets van en u doet er ongetwijfeld goed aan om dat evenmin te geloven.
Terug naar de visserij. Bestaan er studies die uitgevoerd worden om de visserij in een kwaad daglicht te plaatsen? Ja, die studies bestaan. Tegelijk moet daaraan toegevoegd worden dat niet àlle studies die visserijongunstige besluiten opleveren door ‘vijanden’ besteld of geschreven werden en al zeker niet dat alle studies met negatieve uitkomsten voor de vissersgemeenschap waardeloos zijn.
Uit negatieve bevindingen kan immers veel geleerd worden, wellicht nog meer dan uit positieve uikomsten. Alleen is het zo dat dit in de visserij niet gebeurt omdat de sectortop die negatieve uitkomsten a priori onder tafel veegt.
Dat is spijtig, want op die manier wordt een vermeende tweedeling in stand gehouden die de vissersgemeenschap meer kwaad dan goed gedaan heeft. Ze heeft er bijvoorbeeld voor gezorgd dat de sectortop al te lang geijverd heeft voor een piepkleine vloot van grote boomkorvaartuigen, een keuze die alhier tot de bijna complete ineenstorting van de vissersgemeenschap geleid heeft. De bewust nagestreefde tweedeling is wildgroei die de visserijvijver versmacht. Ze belet dat het imaginaire perspectief in volle schoonheid ervaren wordt.

III.  Bart De Wever is een politicus wiens nationalistische project ik verwerp. Mocht ik mezelf de mores van de sectortop aanmeten, dan zou ik alles wat hij schrijft meteen bij het groot huisvuil zetten. Ik zou zeggen: ‘‘Het hoeft geen betoog dat er rond identiteit heel wat essays bestaan. Ik zie met lede ogen aan dat vele van deze essays louter en alleen gevoerd worden om de waarden van de linkerzijde in een slecht daglicht te plaatsen.’ Maar De Wever schrijft ook wel interessante stukken waaruit ik veel kan leren. Dat is zeker het geval voor het essay over geschiedenis(onderwijs) en identiteitsvorming dat hij in maart 2012 in De Standaard publiceerde. (5)
De Wever: Verhalen structureren onze werkelijkheid, ze geven betekenis aan onze waarnemingen en ervaringen en staan ons toe deze te interpreteren. Anders zou de werkelijkheid ons voorkomen als een chaotische botsing van vormen, geluiden, gevoelens en feiten. De Wever haalt er zelfs Sartre bij die in La nausée schrijft: 'Ieder mens is een verhalenverteller. Hij leeft omringd door zijn eigen verhalen en de verhalen van anderen. Hij ziet alles wat hij meemaakt in het licht van die verhalen en hij probeert zijn leven te leiden alsof hij het vertelde.'


Zo is het ook in de visserij. Mensen worden tot het milieu aangetrokken op basis van verhalen die erover verteld worden. Als alles goed gaat komen die mensen zelf ook in de ‘verbeelde’, imaginaire vissersgemeenschap terecht (waar ze al vlug met het analytische aspect geconfronteerd worden, wat hun blik op de visserij vervolledigt).
De Wever gaat door: ‘Zij moeten zich ervan bewust zijn dat zij leven te midden van talloze verhalen die hun leven betekenis geven. Zij moeten deze verhalen kunnen herkennen en kritisch belichten. Zij moeten de instrumenten worden aangereikt om aan zelfonderzoek te doen en te leren dat men mensen niet kan (…) herleiden tot een eenduidige, vaststaande en eeuwige identiteit. Alleen zo kunnen zij tot inzichten komen over zichzelf en over de sociale context waarin zij leven. Alleen zo worden zij kritische, zelfbewuste en mondige burgers.’ De Wever houdt m.a.w. een pleidooi om ons ook open te stellen voor ‘andere verhalen’.
Met De Wever verschil ik wel van mening dat het een zinvolle ambitie is om de hele gemeenschap in een nationale identiteit te willen vatten, want ja, er zijn al te veel lieden in die gemeenschap waarmee ik me helemaal niet wil identificeren. Je kunt m.i. dan ook beter voor een combinatie van verschillende identiteiten kiezen. Dat gaat zo: je verbeeldt je een gemeenschap van Vlamingen, vissers, Belgen, geheelonthouders, Europeanen, postzegelverzamelaars, Aalstenaars, mannen met een snor of wereldburgers. Je hecht waarde aan het gemeenschappelijk verleden en aan gedeelde ervaringen van de gemeenschappen naar keuze en je identificeert je daar vervolgens mee. (6)
Identiteit is dus een rekbaar begrip. Niet alle inwoners van Aalst wensen zich (uitsluitend) met de Vouil Janetten te identificeren, net zoals er inwoners van Vlaanderen zijn die zich uitdrukkelijk van het flamingantisme wensen te distantiëren. Het kan best zo zijn dat een visser zich bijvoorbeeld als geheelonthouder evenzeer verbonden voelt met de wereldgemeenschap van de Anonieme Alcoholisten als met de vissersgemeenschap. Hij krijgt dan een meerduidige identiteit. Het voorbeeld van de geheelonthoudende visser kan moeiteloos uitgebreid worden en dat is interessant. De imaginaire vijver van iemand die een meerduidige identiteit nastreeft wordt er mooier, rijker, gevarieerder, boeiender door.
‘Andere verhalen’ slaan openingen in de vooringenomenheid waardoor de heilzame werking van de buitenwereld binnenstroomt. Jonge vissers moeten dus geenszins herleid worden ‘tot een eenduidige, vaststaande en eeuwige identiteit.’ Ze zijn vissers, maar ze zijn tegelijkertijd veel meer dan dat.

IV. Is al de aandacht die we hier aan het imaginaire besteden niet overdreven? Is dat imaginaire geen restant uit een donker verleden waarin het begrip al te veel misbruikt werd om de mensen om het even wat wijs te maken? Het zijn terechte vragen, want sinds de Verlichting heet de wereld onttoverd te zijn. Hier is geen plaats meer voor fabels. Die hebben plaats gemaakt voor koude wetenschappelijke gegevens.
Maar in het boek Het verdorven genootschap (7) zegt Paul Verhaeghe dat de Verlichting vooral tot ons gekomen is via autoritaire kerels als Voltaire en Rousseau en helaas niet via Diderot, Holbach, Helvetius en Raynal. Over deze weggemoffelde figuren zegt Verhaeghe: ‘Voor de radicale verlichtingsdenkers is passie de drijvende kracht, die best door de rede gestuurd kan worden, zij het dat deze laatste nooit de overhand kan halen. 
Het passionele, imaginaire en ja, het romantische zal ons blijkbaar blijven vergezellen. Meer zelfs, willen we een blik op het geheel verwerven dan moet het koude Verlichtingsdenken met het warme romantische verrijkt worden.
Patrick Van Craeynest spreekt over de visserij op een kamp van de
Jeugdbond voor Natuur en Milieu JNM (2010).
Michel Löwy schreef daar een meesterlijk werk over, waaruit we leren dat de romantiek een vlag is die vele ladingen dekt. (8)
De romantische wereldvisie biedt een diepgaande kritiek op het kapitalisme dat omwille van eigenbelang en persoonlijk gewin tal van gemeenschappen vernietigt.  De romantiek is ook geen afgesloten hoofdstuk uit voorbije eeuwen. Het strekt zich uit, dixit Löwy, tot in onze tijd.
Er bestaat natuurlijk wel een reactionaire romantiek die ons terug wil laten keren naar de vermeend ‘goeie ouwe tijd’, maar er bestaat daarnaast een ander romantisme dat Michaël Löwy revolutionair noemt. In deze variant is de terugkeer naar het verleden geen doel op zich, maar wordt die noodzakelijk geacht om een maatschappij voor te bereiden die ons een mooiere toekomst biedt.
Als dat zo is dan is het heilzaam om ook in de visserij ruim baan te geven aan dichters, kunstenaars, denkers, milieuactivisten, utopisten, wetenschappers die niet met de sector verbonden zijn, kortom aan ‘anderen’ die de identiteit van de vissersgemeenschap openbreken om ze te verruimen. De imaginaire visvijver waarop filosoof Zwart ons gewezen heeft wordt er gevarieerder door, waardoor meteen de kans verhoogt dat de vissersgemeenschap de XXIste eeuw overleeft.
En misschien geldt dat bij uitbreiding wel voor alle vormen van gemeenschap.
Flor Vandekerckhove

(2) Rederscentrale, maart 2012
(3) Joop Bouma, Het rookgordijn De macht van de Nederlandse tabaksindustrie. Uitgeverij LJ Veen, 2002. ISBN 90 204 6044 7.
(5) Bart De Wever, ‘Wat Lisa Simpson ons over onszelf leert’ in DS 24 maart 2012. Luc Huyse gaf in DS 31 maart een kritiek op het stuk. Luc Huyse: ‘Doe wel en zie om’. Op 2 april reageerde Karel De Gucht erop in hetzelfde blad: ’S non è vero…’. Daarna gaf Bart De Wever een antwoord op Huyse en De Gucht: ‘Ze zullen hem niet temmen…’ in DS 4 april. In De Morgen haalde Etienne Vermeersch er Christus bij om het over dezelfde thematiek te hebben (Jezus Christus: waarheid of mythe?’ in DM van 7 april. Ten slotte (?) reageerden ook de historici Koen Aerts, Berber Bevenage en Lore Colaert met ‘Ieder zijn verhaal’ in DS van 5 april. Al deze stukken zijn na te kijken op de websites van de betreffende kranten.
(6) Over mijn eigen identiteit vindt u een tekst op het internet: http://florsnieuweblog.blogspot.com/2011/12/over-identiteit.html
(7) Paul Verhaeghe, ‘Het verdoven genootschap. De vergeten radicalen van de verlichting’. Uitgeverij De Bezige Bij.
(8) Michaël Löwy, Marxisme et romantisme révolutionnaire: Essais sur Lukacs et Rosa Luxemburg. Uitgeverij Sycomore. U kunt Löwy over dat onderwerp zien en horen op het internet. http://vimeo.com/30642099.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen