maandag 4 augustus 2014

Leven en werk van kapitein Arseen Blondé

Arseen Blondé (°Adinkerke 19 no­vember 1880 - †Oostende 13 december 1971), bijgenaamd ‘Tjène’, is wellicht de beroemdste kapitein die de Vlaamse visserijsector ooit voortgebracht heeft. Deze telg uit een armlastig gezin heeft het niet alleen tot kapitein geschopt, hij organiseerde ook een vissersvakbond en was zelfs medestichter van een van ‘s lands grootste rederijen ter zeevisserij. Hij pionierde in Afrika, verdiende zijn sporen in de WOI. Hij is lange tijd gemeente­raadslid geweest en werd meer­maals gelauwerd, gedecoreerd en gevierd.

De ontwikkeling van de Oostendse visserij was spectaculair en trok veel vissers uit de
Westhoek aan. Ook de familie Blondé verhuisde naar Oostende.
Net als zoveel anderen die in de Oostendse visserij een vooraanstaande rol gespeeld hebben is Blondé afkomstig uit de westhoek waar hij op 19 november 1880, in Adinkerke, geboren wordt. Een oud nummer van Het Visserijblad leert ons iets over zijn afkomst: ‘Zijn vader was visscher, die 23 jaren lang op IJsland vaarde, zes lange maanden wegbleef, om in ’t gure en killige Noorden, de schamele korst brood te verdienen voor zijn vrouw en talrijke kroost.’ (1)
De Oostendse journalist Herman Moerman voegt er in 1966 aan toe: ‘Het varen zat hem van jongs af in het bloed, zijn vader deed niet minder dan 17 reizen op IJsland en verloor er ook zijn schip.’ (2)
Nog later, in 1971, naar aanleiding van het overlijden van Arseen Blondé, publiceert het weekblad De Zeewacht een overzicht van ’s mans leven. Daarin komt Blondé zelf aan het woord: ’(…) en vader die een rasechte Pannenaar was, bedreef regelmatig de IJslandvaart om dan ’s winters, met eigen schuit, er nog een centje bij te verdienen.’ (3) Dezelfde journalist had al eerder in De Zeewacht over de afkomst van Blondé geschreven: ‘Vader Blondé was een Pannenaar die regelmatig de IJslandvaart bedreef, maar ’s winters niet met gekruiste armen bleef zitten bij de keukenstoof. Dan moest er uitgevaren worden met eigen schuit. En Tjene moest mee. Geen sprake van studeren. Er dienden centen te worden binnengebracht.’ (4)
Er zijn nogal wat vraagtekens te plaatsen bij deze krantenverslagen. Heeft vader Blondé effectief drieëntwintig jaar op IJsland gevaren? Is dat gebeurd tijdens zeven­tien reizen van zes maanden? Het zijn indrukwekkende cijfers, zelfs voor een door-gewinterde IJslandvaarder uit de barre en schrale westhoek van die tijd. Heeft hij daar ‘zijn schip verloren’? Betekent dat laatste dan dat hij reder was of schipper? Mocht de kleine Arseen geen school lopen omdat hij in de winter met vader ter visserij voer?
Wij vroegen het aan Johan Depotter. Van hem verscheen een uitgebreide studie waarin alle feitelijke informatie verzameld werd over de IJslandvaarders uit de westhoek, een zeer lezenswaardig werk (5). Depotter: ‘Of de vader van Arseen Blondé zeventien reizen op IJsland gemaakt heeft en gedurende zesentwintig jaar IJslandvaarder was, heb ik niet kunnen achterhalen. Ik vermoed dat die cijfers overdreven zijn. Ik heb enkel gegevens gevonden van twee campagnes die hij meege­maakt heeft. In 1875 vaart deze Philippus Jacobus Blondé (geboren in Adinkerke op 2 augustus 1842) inderdaad naar IJsland. Hij doet dat vanuit Duinkerke en scheept in als matroos op de goélette Laure. De start van de campagne verloopt moeizaam, want na vijf dagen varen maakt het schip water in het vooronder. Op 7 maart loopt de Laure binnen in de kleine Schotse haven Whitby voor inspectie en het nodige kalfaatwerk. Kapitein Evrard wordt bovendien ziek. Op 2 april keert men terug naar Duinkerke. Op 15 april kan men dan toch weer zee kiezen, weliswaar met een andere Kapitein.’ Depotter heeft ook gegevens gevonden over de daarop vol­gende zeereis van vader Philippe Blondé: ‘In 1876 verliep zijn reis rampzalig. Samen met Karel, alias Den Blinden, Soete was hij als matroos aangemonsterd aan boord van de goélette D 56 Martha. Bij de start al liep het mis, want op 14 maart kregen ze zo’n pak zee te verwerken dat de goélette uit balans raakte en kapseisde. Gelukkig was de goélette Cérès in de buurt en daar zette men de roeiboot uit. Bij de redding verdronken helaas toch nog twee bemanningsleden van de Martha: kapitein Jean Wallyn en matroos Isidore Preikfort. Vanuit Leith werden de overige drenkelingen gerepatrieerd. Ik vermoed dat deze reis de laatste is die Phlippe Blondé naar IJsland gemaakt heeft.’
Depotter weet nog meer over de ouders: ‘Philippe Blondé huwde in ‘t jaar 1871, op 29-jarige leeftijd, met Isabelle Elise Debeerst, (°Ghyvelde Frankrijk, 1851) die in haar geboorteplaats het beroep van visserin uitoefende. Na het huwelijk woonden ze in de Pannewijk te Adinkerke.’ In Adinkerke geeft het gezin geboorte aan zeven kinderen waarvan Arseen op een na het oudste is. Moeder zou in Oostende ook nog eens drie kinderen ter wereld brengen.
Mocht de kleine Arseen in Adinkerke niet naar school omdat hij ‘s winters met vader de zee op moest? Dat is wat journalist Lauwers laat uitschijnen in hoger vermeld krantenstuk. Het klinkt heroïsch, maar is het ook waar? Wellicht is het ‘gazetten­praat’, want ten laatste in 1886 verhuist het gezin naar Oostende. Arseen Blondé is dan nauwelijks zes jaar! Te jong wellicht om zee te kiezen, te jong zelfs om school te lopen.
In Oostende krijgt hij wel degelijk onderwijs, zo staat het in dat oude nummer van Het Visscherijblad: ‘Op zes jarigen ouder­dom verliet hij met zijn ouders zijn geboortedorp en vestigde zich te Oostende waar hij de lessen volgde van Mijnheer Tabary toenmalig bestuurder der stedelijke visschersschool.’ Die school zou inder­daad in 1886 opgericht worden.
In het interview dat Zeewachtjournalist Lauwers van Arseen Blondé afgenomen heeft, heet het dan weer dat de familie al een jaar eerder naar Oostende verhuisd is. Blondé zegt in het zelf: ‘In 1885 zou onze familie naar Oostende komen wonen. Vader had een plaats van stuurman gekregen op de sloepen. Het staat mij nog fris in ’t geheugen dat op de dag van onze aankomst alhier, ook de eerste stoomtram toekwam. De halte was ter hoogte van het O.L.Vrouwcollege.’
Dat het gezin al in 1885 in Oostende kwam wonen, heeft ook André Baert vernomen. Als achterkleinzoon van Arseen Blondé heeft hij daar Marie-Louise Baert-Blondé (de op een na oudste dochter van Arseen) nog over kunnen ondervragen. Zo vernam hij dat het armlastige gezin inderdaad in 1885 in Oostende toekwam. De familie vond er een eerste stek op het St.-Petrus- en Paulusplein, in een huis waar thans het hotel New Maritime staat. De Blondés mochten er rekenen op de steun van Mong Zonnekeyn, een Oostendse schipper, waar­van geweten is dat hij veel Pannenaars in Oostende hielp integreren. De hulp van Zonnekeyn was erg concreet, zo kon Baert vernemen: ‘Moeder Blondé was ziekelijk en is op kosten van Zonnekeyn in Gent geopereerd’.
Wanneer begint de kleine Arseen te varen? Ook daarin spreken de kranten elkaar tegen. Het Visscherijblad van 1938 laat uit­schijnen dat hij in Oostende al meteen met vader in zee stak: ‘’t Was op zulke terugreis, dat toen hij met zijn vader aan wal stapte hier in 1887 het conflict tusschen Vlaamsche en Engelsche visschers tot zijn kookpunt gerezen was (…)’
Het conflict waarvan sprake is de beroemde Oostendse vissers-opstand: ‘Alhoewel jong, en later meer en meer overtuigd van de gerechtigheid der Vlaamsche visschers, maakte dit een diepe indruk op zijn kinderziel, indruk die later zou opwellen tot steun en verhef­fing zijner werkgenooten voor wien hij alles veil had.’
Officieel monstert Arseen Blondé naar eigen zeggen in 1890 aan als scheepsjongen op de O 2. Stuurman wordt hij voor het eerst aan boord van de stoomtreiler Tourquenois van de hulpvaardige Zonnekeyn. Tegelijk zet hij zijn studie verder, want Gust Beyen (6) vogelde uit dat hij op 1 juni 1901 aan de zeevaartschool het brevet van patron-pêcheur verwerft. In dat jaar wordt Arseen ook effectief voor het eerst schipper, zo zegt hij het zelf aan Zeewachtreporter Lauwers: ‘Kijk maar naar mijn monsterboekje. In 1901 verkreeg ik mijn eerste “ticket” als schipper op de O 63 [Hélène] van reder Cesar Degroote.’ Dat mon­sterboekje is voor ons helaas niet in te kijken. Achterkleinzoon André Baert vermoedt dat het in het bezit is van familieleden die naar Wallonië uitgeweken zijn.
1913. Wellicht aan boord van de O 130 Jacqueline. 
Bovenaan links: kpt Arseeen Blondé.
Rechts naast hem staat reder John Bauwens. (Foto Amsab)
Ook over het overlijden van vader Philippe Blondé zijn de kranten onduidelijkheid. Volgens Het Visscherijblad van 1938 sterft die vader al in 1891, wat voor de auteur aanleiding is om een naturalistisch sfeerbeeld te schetsen dat minder met goeie journalistiek dan met slechte literatuur te maken heeft: ‘Elf jaar
 oud zijnde stierf zijn vader, een ziekelijke moeder met zeven minder­jarige kinderen achterlatende waarvan hij de broodwinner was. ’t Waren harde tijden, moedig scheepte hij in onder ’t geleide van pionier Zonnekeyn, van wien hij steeds met vooringenomenheid spreekt. Hij bekwaamde zich in zijn vak eerst als jongen, dan als matroos en uiteindelijk als stuurman. Het loon was gering voor ’t harde labeur, maar moeder was zuinig en al ontbrak den welstand toch wist zij de twee eindjes aan elkaar te knopen.’ Wacht toch nog even met snotteren, want dat vermeende vroegtijdige overlijden van vader Blondé wordt ferm tegengesproken door hoger vermelde Gust Beyen. Die weet zeker dat Philippe Blondé pas op 2 april 1932, op de leeftijd van 89 jaar, in Oostende overleden is. Het is zijn zoon Arseen die op die dag aangifte van dat overlijden doet. De moeder van Arseen zou dan weer op 10 mei 1897 overleden zijn. Zij werd slechts vijfenveertig.
Arseen Blondé trouwt in 1900 met Virginia Vanwetter, zo leren we eveneens van Gust Beyen. Hij is 20, zij is 19. Over twee van de kinderen die uit dat huwelijk voortspruiten geeft Beyen ons informatie. Het betreft enerzijds Arsène, Arseen junior als het ware, geboren in 1907. Deze wordt eveneens visser en vaart als zestienjarige uit op de O 158. In 1932 haalt hij zijn schippers-brevet. Hij zou tijdens WOII in Engeland om het leven gekomen zijn. Over de in 1918 geboren Lucienne (Lucy) weet Beyen ons te vertellen dat ze later huwde met Raphael Beyen, alias Katterogge († 1994), ooit eigenaar van het kustvissersvaartuig O 116 Lucy-Jenny. Uit notities van André Baert blijkt dat Blondé niet minder dan elf kinderen zou gehad hebben. Maar of het ook klopt? In diezelfde aantekeningen vinden we immers alleen maar de namen van Germaine, Marie-Louise, Fernand, Arsène jr, Lucienne, Albert (geboren in het Verenigd Koninkrijk) en Mariette (die sterft na de reis naar Engeland).
Maar laat ons terugkeren naar de visserij. Het schippersleven van Arseen Blondé start, zoals gezegd, in 1901 op de O 63 Hélène van reder Cesar De Groote. In 1903 vinden we hem aan boord van de O 125 Tourquennois. Later neemt hij het roer in handen van de Neptune van rederij Aspeslagh, waar­mee hij rond Schotland op kabeljauw bevist. Tijdens die reis krijgt hij een visserijcontroleur aan boord die van oordeel is dat kapitein Blondé niet alleen kabeljauw gevist heeft, maar in de kustwateren ook op onrechtmatige wijze haring heeft gevangen.
Ik weet niet meer wanneer ik de term ‘limietenvisser’ voor het eerst gelezen heb. Wellicht is het in een levensverhaal van een of andere IJslandvisser. Het woord drukt een praktijk uit waarin Vlaamse schippers zich plachten te specialiseren. Naarmate de naties hun visgronden gaan beschermen, en ze de visserij dus limieten opleggen, zoeken die schippers de grenzen van de wettelijkheid op, door bijvoorbeeld letterlijk op de randen van voor hen verboden zones te vissen en ze uiteraard ook te overschrijden zodra de kust (letterlijk en figuurlijk) veilig is. Ook in de vroege jaren 1900 zijn de visserij-beperkingen er blijkbaar al om door de vissers overschreden te worden. Hoe dan ook, er volgt een veroordeling: 100 pond boete en de kapitein wordt aangehouden tot de boete betaald is. Van zodra dat gebeurd is, kiest Blondé het hazenpad. ‘s Nachts neemt hij clandestien het aangeslagen vistuig weer aan boord en kiest zee.
Drie jaar later is hij weer actief rond Schotland, deze keer aan boord van de O 183 Marcella, een schip van de Pêcheries à Vapeur (PV) van de bekende Oostendse reder John Bauwens. Hij wordt daar door dezelfde visserijcontroleur weer in de kustzone betrapt en opgeleid. Zowel de controleur als Blondé herinneren zich zijn ‘ontsnapping’. Blondé begrijpt dat de rechter daardoor niet mild zal oordelen. In de haven bekok­stooft hij met motorist August Vincke en met de stuurman een plan, wacht het geschikte moment af en geeft dan het bevel om op volle kracht weg te varen. De kabels waarmee de Neptune aan het controleschip vastgemaakt is, springen als touwtjes en Blondé kiest weer het hazenpad. Hij wordt bij verstek veroordeeld tot 400 pond boete en een gevangenisstraf van zes maand. Wat betekent dat de voortvluchtige Blondé zich nooit meer in Britse wateren mag laten zien. Hij wordt door reder Bauwens van de Marcella gehaald, maar hij blijft wel voor dezelfde rederij varen. Zo wordt hij in 1908 ingezet voor een campagne in de Witte Zee.
Het eerste stoomschip van de NV Oostendsche Reederij 
werd genoemd naar de Gentse
socialistische voorman Edward Anseele. 
In 1913 vertrekt hij met de O 130 Jacqueline van dezelfde rederij naar Congo om er de visserijmogelijkheden uit te testen. Bedoeling is dat de 14 Belgen er twee jaar blijven. Het wordt een beroerde reis, onder meer omdat Florimond, de broer van Tjène, die ook mee aan boord is, in Congo over­lijdt ten gevolge van een insectenbeet. Het wordt bovendien nog beroerder omdat de oorlog uitbreekt. De Belgen krijgen bevel terug te keren en na enige avonturen lukt hen dat ook, maar Oostende blijkt intussen al een stad in volle oorlog te zijn. Blondé blijft er tien dagen en besluit intussen met zijn familie naar Engeland te vluchten. In het ruim van de O 130 vinden ze 500 vluchtelingen die met hen meewillen. In het interview met reporter Lauwers zegt Blondé daarover: ‘Te Folkestone zette ik er 452 af en de overige in Milford Haven, die mijn aanleghaven zou worden, alhoewel ik eerst zinnens was terug naar Oostende te varen om nog meer vluchtelingen af te halen. De schipper van een baggerboot van de firma Cloet wist mij noch­tans te zeggen dat de Duitsers Oostende binnengerukt waren.’
Avonturen genoeg. Het schip wordt herdoopt tot Raymond en hij vaart opnieuw ter zeevisserij, maar nu vanuit het Britse Milford in plaats van uit Oostende. Hij spot onderweg de uit Montreal afkomstige SS Morwenna, schip dat door een Duitse onderzeeboot beschoten wordt. Blondé aarzelt niet en vaart in rechte lijn op de onderzeeboot af om die te kelderen. Inmiddels is de Morwenna geraakt en begint het schip te zinken. De duikboot richt zich nu op de O 130 en schiet minstens vijftig kogels af, waarbij een visser dodelijk getroffen wordt. Uiteindelijk kiest de duikboot het hazenpad omdat het schip van Blondé almaar nader komt. De Oostendenaars halen 29 drenkelingen uit zee en pikken ook nog eens drie gewonden op.
Het is niet de enige oorlogsdaad die Blondé daar stelt en hij is niet de enige Vlaamse schipper die zich ter zake laat opmerken. Velen werden ervoor gelauwerd. Overigens zijn er daarnaast ook veel krantenberichten te vinden waaruit blijkt dat Blondé inderdaad een bijzonder kranig zeeman was die meerdere keren hulp bood aan mensen en schepen in nood, en niet alleen in oorlogstijd. Getuige daarvan is een krantenstuk ondertekend door een zekere R. Vercammen. We bezitten er slechts een fotokopie van en de krant (wellicht van socialistische huize) waarin het stuk geschreven stond, noch de datum waarop zijn ons bekend, maar het artikel leert ons dat Blondé, omwille van zijn zeemanschap, bijna vereerd wordt. Pennenlikker Vercammen besluit zijn stuk bombastisch als volgt: ‘Mijn waarde Kapitein en Broeder, moedige zeebonk, edele ziel! Wat de vrienden van U denken? Dat ge een toonbeeld zijt van het heldenras dat gij zo waardig vertegenwoordigt: de zeevisscherij-bevolking.’
Na de oorlog keert het gezin Blondé-Vanwetter weer naar Oostende. De vissers die de oorlog in Engeland doorgebracht hebben, hebben daar een belangrijke evolutie doorgemaakt. In Engeland hebben ze de vakbonden aan het werk gezien, de ‘unions’, en daarbij geconstateerd dat het lot van hun Britse vakgenoten merkelijk beter was dan wat zij hier in België gewoon waren. Van Tim Maertens vernemen we dat de Belgen in Engeland trouwens voor het eerst ook zelf in syndicale actie komen: ‘Na enige tijd in Engeland brak er dan ook een staking uit onder de machinisten van de Belgische stoomsloepen, die de toepassing eisten van de lonen van hun Engelse collega’s in de stoomvisserij. De staking duurde enkele dagen en werd gesteund door de Engelse metaalbewerkers. De kapitein Arseen Blondé, (…) trad op als spreker en uiteindelijk werd de slag thuisgehaald. Door dit bereikte resultaat besloten de vissers te Milford over te gaan tot de stichting van de “Union van Belgische zeelieden” of Zeemansbond, dat onder het bestuur van de secretaris van de ‘Seamen and Firemen Union’ van Milfordhaven stond, waarbij al de Engelse zeelieden waren aange­sloten. De Belgische reders van hun kant, die in Engeland voor de eerste maal met de kracht van de collectieve actie van de vissers werden geconfronteerd, gingen eveneens over tot de stichting van een vereniging om hun belangen te verdedigen, de ‘Union des Armateurs-Reedersvereeniging’. (7)
Blondé en de zijnen komen in Oostende toe met een treiler vol vis die aan de Oostendse bevolking uitgedeeld wordt. Reder Bauwens vraagt Blondé om weer naar Congo te varen om daar het pionierswerk verder te zetten. Hij moet daarvoor eerst weer naar Engeland om er in opdracht van de rederij PV van Bauwens een geschikt schip aan te kopen. Wanneer Blondé op 24 juni 1920 met die ‘Boula Matari’ Oostende binnenvaart is er in de visserij een staking aan de gang. Tim Maertens weer: ‘Blondé verklaarde zich dan ook solidair met zijn collega’s. Daardoor kwam hij in conflict met zijn rederij die wilde dat hij ondanks alles naar Belgisch-Congo vertrok. Blondé zou geantwoord hebben: “alleen met een gesyndikeerde bemanning en na de staking.” Door het volhouden werd de charismatische kapitein ontslagen.’ De reders laten er Blondé een hoge prijs voor betalen. Net als de eveneens militante kapitein Louis (alias de boeie) Zonnekeyn vindt hij geen werk meer.
Blondé herinnert zich evenwel de oproepen van de Gentse socialist Edward Anseele die al ten tijde van de vissersopstand in 1887 opgeroepen had tot het vormen van een eigen rederij. Met enkele vakbondsmilitanten trekt Blondé naar Gent waar op 6 november 1920 voor het eerst over dit onderwerp verga­derd wordt. Dit resulteert op 1 oktober 1921 uiteindelijk in de stichting van de NV Oostendsche Reederij, een onderneming geleid door socialisten en die daarom door de Oostendenaars al gauw als ‘de rode vloot’ omschreven wordt, een vloot be­staande uit ‘schepen van de bond’. Arseen Blondé, voorzitter van de Zeemansbond, wordt walkapitein.
Het kapitaal van de onderneming wordt op twee miljoen frank gebracht, te verdelen over 4.000 aandelen van 500 frank. Merkwaardig daarbij is dat ook Arseen Blondé zelf voor 30 aandelen intekent. Wat ons laat vermoeden dat kapitein Blondé tegen die tijd (en nadat hij al een jaar lang geen vaart meer gevonden heeft) al geen klein vissertje meer genoemd mag worden.
De geschiedenis van deze merkwaardige rederij wordt uit­voerig beschreven in hoger vermelde masterproef van Tim Maertens die daarvoor ook steunt op het indrukwekkende opzoekingwerk van HVB-medewerker Louis Vande Casteele: ‘Gedurende dertig jaar dat de rederij heeft bestaan, zijn er 82 schip­pers geweest die de schepen hebben gevoerd.’ (8)
Zeker in de eerste jaren van het bestaan van deze rederij speelt de socialistische vakbond van voorzitter Arseen Blondé een grote rol. Dat mag ook blijken uit wat Vande Casteele ons daarover vertelt: ‘In 1923 breekt er o.a. te Oostend de grote staking der dokwerkers uit, die dertien weken duurde. Op het Hazegras werd op kosten van de rederij gratis een of tweemaal per week vis uitgedeeld aan de 1400 stakers. De frequentie van uitdeling van de vis geschiedde volgens de aankomst der schepen van de rederij. Deze kocht haar eigen vis op en zorgde daarna voor uitdeling ervan. Dit was een zeer grote steun die de rederij (syndikaat) aan de stakers kon geven.’
Ook voor de bemanningen zelf betekent de ‘rode vloot’ heel veel. Een varende kapitein verdient in het begin van de jaren twintig bij de schepen van de bond gemiddeld 2.500 frank per maand, een machinist 1.200, een stuurman 1.100 en een matroos 600 à 700 frank, aldus de volkskundige auteur Beyen. Historicus Jaak Mertens voegt daaraan toe: ‘De Rode Vloot verzekerde als eerste maatschappij haar bemanning tegen arbeidsrisico’s, zorgde voor een voortgezette opleiding van de bemanning, paste de lonen - die hoger lagen dan in iedere andere rederij - aan de index aan, rustte haar schepen uit met draadloze telegrafie…’ (9) Het belet de rederij niet om tegelijk een van de allergrootste uit de Belgische visserijgeschiedenis te worden. Vande Casteele: ‘[In 1926] telde de rederij 20 schepen, nl. De 19 stoomvaartuigen en een motorschip.’ Daarop werden 300 vissers tewerkgesteld.
We leven in een tijd waarop de zaken scherp gesteld worden. In 1936 breekt in Spanje een burgeroorlog uit. De fascistische generaal Franco valt er de democratisch verkozen regering aan. Het land splitst zich in twee kampen. België verkiest in het conflict neutraal te blijven, maar de socialisten kiezen wel degelijk partij, ook de Oostendse: ‘De initiatieven voor de vluch­telingen van de Spaanse burgeroorlog waren er het mooiste voorbeeld van. Er werden meetings georganiseerd tegen het Spaans fascisme en er werd een “komiteit ter bescherming der Spaanse kinderen” opgericht (…) Dat het niet bij woorden alleen bleef, blijkt uit het feit dat Jules Peurquaet [een Oostendse socialistische voorman, n.v.d.r.] een Spaanse pleegzoon had. Eén mei 1938 stond in het teken van de solidariteit met Spanje: er werd twee en een halve ton levensmiddelen rondgehaald en in augustus van dat jaar werd in de velodroom een Rode Kermis gehouden ten voordele van de “Spaansche kameraden”.’ (10) Van André Baert weten we dat ook kapitein Blondé een Spaans meisje in huis genomen had.
Misschien deden de Oostendse kameraden nog meer. Dat is althans wat de kranten uit die tijd laten vermoeden. In Oostende wordt in 1936 beslag gelegd op het schip ‘Raymond’ van de rederij Rau. Men vermoedt dat het schip illegaal wapens transporteert naar Spanje. In kisten die volgens de vrachtbrieven glas bevatten, wordt er door de douane geweren en bajonetten aangetroffen. ‘Naar verluidt werden de wapens aangebracht in vier auto’s komende van Antwerpen. Er zijn 120 kisten met wapens, wegende ruim 15 ton.’ (11) Wie wilde deze wapens vervoeren en naar welke bestemming? Rau bleef buiten schot, want hij had het vaartuig verhuurd aan… Arseen, Tjène, Blondé. Er volgt uiteraard een onderzoek. Kapitein Vilain, stuurman Camiel Lafere, de scheepsagent, vader Rau en Arseen mogen het komen uitleggen. Het parket verricht verschillende huiszoekingen bij socialisten en in de kantoren van de Transportarbeidersbond.
Zo uitgebreid als het artikel in de Gazet van Oostende is, zo kort is het stukje in Het Visscherijblad dat ons leert wat de gevolgen zijn voor Blondé, namelijk géén: ‘Sedert verleden week Donderdag werd ook de heer Arseen Blondé, technisch bestuurder van de Oostendsche Reederij, die voor de zaak van de “Raymond” aangehouden werd, in vrijheid gesteld.’ ‘Zoals we reeds zegden: “Veel lawaai, maar niets buitengewoons kon ontdekt worden ten laste van eerlijke personen.’ (12)
Blondé wordt in Oostende fel gewaardeerd. In 1921 wordt hij al in de Oostendse gemeenteraad verkozen en in een eerste fase blijft hij dat tot 1956. Ook in de gemeenteraden tussen 1958 en 1964, dus lang nadat de rode vloot in 1951 opgehouden heeft te bestaan, vinden we hem op het stadhuis terug.
Al die tijd moet hij dus in Oostende gewoond hebben, althans officieel, want Beyen weet dat de echtgenote van Blondé in 1956 bij haar dochter Lucy Blondé inwoont. Tjène is wettelijk nooit van haar gescheiden, maar woonde in dat jaar wel al apart van zijn echtgenote. Zij in de Langestraat, hij in deRogierlaan. Beyen: ‘Al voor 1932 had Arseen zijn gezin verlaten. Ik heb nog gelezen dat hij de reputatie had een aantrekkelijk man te zijn, erg gewaardeerd bij vrouwen! De kinders en kleinkinders hebben hem dat ook erg kwalijk genomen. Ze hadden nog weinig kontakt met hem. Daardoor geraakte ik ook moeilijker aan inlich­tingen.’ Marie-Louise Baert-Blondé heeft wel het contact met Tjène behouden, maar tegenover André Baert heeft ze toch ook over dat aspect van ‘s mans persoonlijkheid getuigd. Die noteerde uit haar mond: ‘Wanneer hij belde om te zeggen dat ik vis moest komen halen in het Waterhuis deed ik dat niet graag. De diensters hingen letterlijk rond zijn nek.’ Welwel, een womanizer dus.
Wat we ook weten is dat hij ooit uit Oostende naar Bredene verhuisd is, want een Zeewachtstuk titelt over de toen al ‘ver in de tachtig’ zijnde Tjène als over ‘een waardige zoon van Bredene’. Wanneer die verhuizing gebeurd is, weten we niet, maar misschien was dat al ten tijde dat hij in de stad nog gemeenteraadslid was, want achterkleinzoon André Baert bezorgde ons een foto van het huis in Bredene, villa Forget me not. Op de achterkant staat genoteerd: ‘Don’t forget, 3 may 52’. Een schreeuw om aandacht van Arseen Blondé die met zijn familie gebroken had? Het kan, want alhoewel hij, zoals gezegd, officieel nooit van zijn echtgenote gescheiden is, heeft hij haar wel degelijk verlaten om bij zijn vriendin Rachel Valcke in Bredene te gaan wonen. Het villaatje waarin die twee woonden bestaat nog altijd (Kroonlaan 16), maar het draagt die naam niet meer. Rachel Valcke overleefde haar minnaar met een jaar en ze delen sindsdien hetzelfde graf op het oud-kerkhof in Oostende.
Op latere leeftijd komt Blondé in Bredene wonen.
Op de foto is hij juist tachtig geworden (Foto collectie A. Baert).
Tegen de tijd dat hij Oostende verliet was hij al een gevierd man. Hij stond op de rol der Marine van de Hoge Zeevaart­raad voor de Zeevisserij, maakte deel uit van het Comité der Pensioenkas voor de vissers, mag zich medestichter van het zeemanshuis Godtschalck noemen en zetelde in de Vissers-havencommissie. Al bij al een flink palmares voor iemand die, dixit zijn dochter Marie-Louise, ‘weinig geletterd was en pas goed heeft leren schrijven tussen de politiekers.’ Medailles te over ook, want hij mocht een pak internationale en internationale onderscheidingen op de borst spelden en in 1963 kon hij ook het gulden ereplaket van de stad Oostende op zijn kast zetten, alhoewel we niet goed weten waar die kast toen stond, in Bredene bij Rachel Valcke of in Oostende waar hij wellicht een officieel adres bleef houden, want hij zetelde toch tot in de jaren zestig in de Oostendse gemeenteraad, die uiteraard voorbehouden is voor Oostendenaars.
Het is hier de plaats niet om verder in te gaan op de geschiedenisvan de NV Oostensche Reederij’, die door Tim Maertens en Louis Vande Casteele vakkundig uitgeplozen werd. Wijzen we alleen op de evolutie waarbij de vakbond gaandeweg uit het beheer van de rederij geweerd werd. In de jaren veertig is van een ‘socialistische rederij’ al lang geen sprake meer. Naar aanleiding van de inhuldiging van een nieuwe aanwinst voor de rederij beschrijft de journalist van Het Nieuw Visserijblad in 1947 hoe Balthazar, de toen­malige voorzitter van de beheerraad over de kwestie spreekt: ‘“hij lochenstrafte de legende dat de Oostendsche Reederij zou verband houden, noch rechtstreeks noch onrechtstreeks met om het even welke politieke partij.’ (13) Het is een ‘statement’ dat kan tellen en die ook de nodige ophef maakt ‘omdat dit beschouwd werd als een verloochening van het vaderschap van de “Rode Vloot”.’ (14) Een en ander blijkt trouwens ook uit de naamgeving van de vaartuigen van de rederij. Waar het de gewoonte was om de schepen naar socialistische voormannen te noemen, heten de aanwinsten van 1947 ‘Winston Churchill’ en ‘Franklin D. Rooseveld’, niet bepaald socialistische voormannen. Een uitzondering daarop is de O 148 ‘Captain Arseen Blondé’, eveneens in 1947 ingehuldigd, waardoor Tjène dus een schip zijn naam ziet dragen.
Tim Maertens vermoedt overigens dat de samenwerking tussen rederij en vakbond al van in het jaar 1936 niet vlot meer verloopt. Al voor 1936 was Arseen Blondé uit het bestuur van de Zeemansbond gestapt. De leiding werd er ingenomen door Louis Major die in 1936 met de afgevaardigden van de rederij in conflict kwam over een loonkwestie. Major onderhandelde aan de vakbondskant, walkapitein Blondé zat aan de overkant van de tafel en onderhandelde ten gunste van… de rederij.
Flor Vandekerckhove

(1) 1938 - ‘Wie en Wat - Arseen Blondé’ van de redactie in Het Visscherijblad 1/1938
(2) 1966 - ‘Hoe kapitein Arseen Blondé tweemaal de kustwacht wist te verschalken’, Herman Moerman in Het Laatste Nieuws, Bijzondere uitgave Oostende, 25 januari 1966.
(3) 1971 - ‘Arseen Blondé kende een avontuurlijk leven op zee’. Ed Lauwers in De Zeewacht 24 december 1971. Hetzelfde artikel werd overigens al eerder gepubliceerd, in 1959, in een tijdschrift dat Flash heette.
(4) ‘”Captain” Arseen Blondé, een waardige zoon van Bredene’. Ed Lauwers in De Zeewacht, datum ?
(5) 2011 - ‘Onze IJslandvaarders’ van Johan Depotter, een werk in twee boekdelen, in totaal 1800 bladzijden, met meer dan 1000 illustraties, gegevens over 970 IJslandvaarders. Het werd uitgegeven door Academia Press. 70 euro voor de twee delen. ISBN 9789038218168.
(6) 1995 - ‘Kwartierstaat van Arsenius Franciscus Blondé’. Gust Beyen in ’t Calcoentje, veertiende jaargang, nr. 4 – 15 augustus 1995. Gust Beyen heeft verre familiebanden met Arseen Blondé. Lucy Blondé, de in Folkestone geboren dochter van Arseen, huwde
met de Oostendse visser Raphaël, alias katterogge, Beyen, een kozijn van Gusts vader.
(7) ‘De Oostendsche Reederij NV (1921-1951) in het kader van de Belgische
zeevisserij’. Masterproef van Tim Maertens, ingediend voor het behalen van de graad van Master in de Geschiedenis, VUB, 2008.
(8) ‘De Oostendse Reederij 1921-1951’ Louis Vande Casteele, 1980 (uitgegeven in eigen beheer).
(9) Jaak Mertens op een ‘Huldekaartje naar aanleiding van de 100ste verjaardag van de socialistische beweging’, uitgegeven in 1985.
(10) Michel Vermote in ‘Recht door zee, Bijdragen tot de geschiedenis van de socialistische arbeidersbeweging in het arrondissement Oostende - Veurne - Diksmuide’. 1990.
(11) De gazet van Oostende, 25.09.1936.
(12) Het Visscherijblad, 10 oktober 1936.
(13) Het Nieuw Visserijblad, 23.05.1947.
(14) Het Nieuw Visserijblad, 02.01.1948.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen